Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blaaskaak - (snoever, opschepper)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blaaskaak zn. ‘snoever, opschepper’
Vnnl. blaescake ‘snoever’ [1562; Naembouck], blaeskake ‘blazer, blaaskaak’ [1573; Thes.], blaes-kaecke ‘met opgeblazen wangen; blaaskaak’ [1599; Kil.].
Gevormd uit → blaas in de Middelnederlandse betekenis ‘snoever, blaaskaak’ [ca. 1410; MNW] en → kaak 1 in de Middelnederlandse betekenis ‘kaak, wang’. Het eerste lid kon tevens gezien worden als de stam van het werkwoord → blazen, wat een figuurlijke betekenis ‘persoon met opgeblazen wangen’ geeft.
Vergelijkbaar is het Latijnse woord bucco (bn. en zn.), dat eveneens ‘met opgeblazen wangen’ en ‘blaaskaak’ betekent.

EWN: blaaskaak zn. 'snoever, opschepper' (1562)
ANTEDATERING: Blaescaecken [1561; De Dene 2, 106]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blaaskaak* [snoever] {blaescake 1562} in de betekenis ‘die zijn kaken opblaast’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

blaaskaak

Vroeger bestond er een werkwoord blaaskaken, dat net zo gevormd is als knipogen, stampvoeten, klapwieken en knarsetanden. Blaaskaken is dus: met de kaken blazen zoals knipogen is: met de ogen knipperen, stampvoeten: met de voeten stampen enz. Degene die met de kaken blaast is de wind, als persoon voorgesteld. Men vindt het woord blaaskaak dan ook, bijvoorbeeld bij Vondel, als een term voor Boreas, de noordenwind. Maar bijna altijd wordt het woord gebezigd voor een opschepper, een pocher, een snoever, een zwetser. De heer Kegge uit de Camera Obscura wordt een blaaskaak genoemd. Het werkwoord blaaskaken is echter geheel en al in onbruik geraakt, evenals het zelfstandige naamwoord blaaskakerij dat men nog bij Bilderdijk vindt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blaaskaak znw. m., sedert Kiliaen bekend; bet. ‘die zijn kaken opblaast’, zich dus geweldig wil voordoen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blaaskaak znw., sedert Kil. en Plantijn. De ospr. bet. moet zijn “die zijn kaken, zijn gezicht opblaast”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blaaskaak m., Kil. blaeskaecke: een samenst. gelijk brekespel = kaken(op)blazer.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

blaaskaak: snoever, pocher. Eigenlijk: iemand die met zijn kaken blaast. Reeds in de zestiende eeuw.

Harry Mulisch, een blaaskaak die alles van Nietzche heeft gepikt. (Bert Hiddema, Scheuren in het asfalt, 1985)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blaaskaak* snoever 1562 [Naembouck]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut