Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blaag - (stout, lastig kind)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blaag zn. ‘stout, lastig kind’
Nnl. blaag ‘ondeugende jongen’ [1855; WNT].
Misschien in verband staand met het Nederduitse werkwoord blagen ‘zich opblazen’, nevenvorm van nhd. blähen ‘blazen’, zie → blazen.
Nedersaksisch en Westfaals Blag(e) ‘lastig, onhebbelijk kind’, ook als scheldwoord voor domme, opgeblazen, jeugdige personen; Oost-Fries blage ‘opgeblazen figuur’; nfri. blaai, blei (bij de werkwoorden blaaie, blagje en het bn. bleisterich).

EWN: blaag zn. 'stout, lastig kind' (1855)
ANTEDATERING: blaag 'kind' en (in Gelderland) 'dwingend kind' [1832; Bomhoff 2, 125a]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blaag* [kwajongen] {1855} een jong woord dat slechts in Westfalen en Oost-Friesland als blage wordt gevonden. In het begin van de 18e eeuw in het fr. overgenomen als blague [tabaksbuidel], sedert de 19e eeuw als belachelijk verhaal, vgl. nederduits blagen [zich opblazen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blaag znw. m., eerst na Kiliaen, vgl. westf. blagə, oostfr. blage ‘opgeblazen, ingebeelde persoon’ (> fra. blague ‘tabaksbuidel’ sedert de 18de eeuw, en ‘belachelijke, onware vertelling’ sedert de 19de eeuw). — Vgl. nd. blagen ‘zich opblazen’, naast nhd. blähen (waarvoor zie: blaas).

Ook oe. blagettan ‘schreeuwen’ kan hierbij behoren; dan eig. ‘opgewonden doen, luid roepen’). — De oudere verklaringen, die het woord met lat. flaccus ‘slap’, gr. bláks ‘slap, traag, dwaas’ verbinden, zijn minder waarschijnlijk (vgl. FW 68).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blaag znw., nog niet bij Kil. = westf. blāʒə “blaag”. Wellicht ook ags. *blaga m., waarvan blagettan “schreien”. Verwant met lat. flaccus “slap, hangend”, gr. blā́ks, blākós “slap, traag, dwaas”, malakós “zacht, week”, lett. mûlkis “domoor”, oi. mûrkhá- “dom, domoor”; ook lit. blakà “slechte plek in linnen”? Idg. melâ-q(h)- (waarnaast misschien melâ- ḱ-) is een verlenging van melâ-”week, zacht zijn” (voor de bet. van blaag vgl. oi. táruṇa- “zacht, jong”) in oi. mlấyati “bij wordt slap, zwak” (met mlâje- ablautend klruss. mľity “gaar worden”) en met verschillende formantia o.a. nog ier. mlâith, blâith “zacht, week”, gr. blēkhrós “zwak”, arm. mełk, mełm “zacht, weekelijk”, misschien ook russ. blagój “slijfkoppig, leelijk” (lit. blõgas “zwak, slecht” wellicht uit het Witruss.) Men heeft ook mnl. malsc, os. malsk “overmoedig”, got. untila-malsks “op ongepasten tijd overmoedig” vergeleken. Met nog meer waarschijnlijkheid leidt men van idg. melâ- “zacht zijn” ndl. mals (van vleesch e.dgl.; reeds mnl.) af, een ook ndd. bnw. De wortel melâ- “zacht zijn” is identisch met den bij malen I besproken wortel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blaag m., + Ndd. blage, Ags. *blaga (van waar blagettan = weenen) + Gr. bláx, Lat. flaccus = slap.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blaag* kwajongen 1855 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut