Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

biznizboy - (jongen die zich prostitueert)

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

businessboy, -jongen (← Eng.), jongen die zich prostitueert. → broodpoot*.

De ‘bizniz-boys’ aan de grote bar waren dan wel niet van plastic, maar keken wel erg verveeld om zich heen. (Haagse Post, 06/12/86)
Maar die verenigingsconstructie had voordelen: je kon een dansvergunning krijgen, je mocht tot twee uur open blijven, je kon er zitten zonder iets te verteren, je kreeg geen pottekijkers binnen en er kwamen geen biznizjongens. (Haagse Post, 15/04/89)
Een van hen zei: ‘Ze moesten al die vieze businessboys de pik afsnijden.’ (Opzij, oktober 1989)
Wanneer men de grote groep van parttime-prostituées en schnabbelaars niet meetelt, zijn er 20.000 sekswerkers in Nederland. Vijf procent daarvan bestaat uit ‘bisnisjongens’, jongens die voor mannen werken. (Sietske Altink: Handel in hartstocht. Het prostitutiebedrijf in Nederland, 1995)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut