Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bits - (vinnig, onvriendelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bits bn. ‘vinnig, onvriendelijk’
Vnnl. byten als een bitse hond ‘als een tot bijten geneigde, bijtende hond’ [1613; WNT], het vyer geeft bitschen rook ‘het vuur geeft bijtende rook’ [1625; WNT], bitse nijd ‘vinnige afgunst’ [1625; WNT], naast de weinig voorkomende variant bijts [1634; WNT].
Afleiding van het werkwoord → bijten of misschien een verkorting van beets (zoals sleets bij slijten). De oorspr. betekenis zou dan ‘van zich afbijtend’ kunnen zijn.
Aanvankelijk werd bits voor dieren gebruikt in de betekenis ‘tot bijten geneigd’ (een bitse hond), later ook overdrachtelijk voor menselijk gedrag.

EWN: bits bn. 'vinnig, onvriendelijk' (1613)
ANTEDATERING: eerst bitselyck (bw.) in: Doe sprack d'ander wel bitselyck [1585; Coornhert, 71]
Later: Sulcken bitschen tael [1610; iWNT] (EWN: 1625)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bits* [vinnig] {1617} vgl. hoogduits bissig, nederlands pissig, o.i.v. bijten, gevormd naast bats [oorspr. trots, ijdel], dat in diverse dialecten voorkomt, vgl. oudfries batsk [trots, stuurs], hoogduits patzig [snoevend, patser], afgeleid van Batzen [klomp, kluit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bits bnw., eerst laat, sedert de 17de eeuw, bekend, schijnt een afleiding van bijten, maar is daarnaar vervormd uit bats (waarvoor zie: bars).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bits bnw., sedert de 17de eeuw. Onder invloed van bijten als ablautend synoniem gevormd bij bats(ch): zie bars.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bits bijv., intens. afl. van bijten; vergel. spits en splitsen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bits ‘vinnig’ -> Deens bidsk ‘vinnig, bij honden of het weer: bijterig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bisk ‘vinnig, bijterig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bitsk ‘vinnig, scherp, bijterig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bits* vinnig 1617 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal