Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bisschop - (priester van de hoogste rang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bisschop zn. ‘priester van de hoogste rang’
Onl. biscop ‘priester’, biscoba, biscopa (mv.) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. biscop ‘bisschop, priester van hoogste rang’ [1200; CG II, Servas], bisscop [1254; CG I, 67], ook ‘onderwijzer, opziener over een school; hoofdpersoon van een feest’; vnnl. bischop [1599; Kil.].
Ontleend aan christelijk Latijn episcopus ‘bisschop, opziener’ < Grieks epískopos ‘verspieder, opzichter’, later ook ‘bisschop’, gevormd uit het voorzetsel epī ‘bij, op, naar’ (zie → epidemie) en het werkwoord skopeĩn ‘zien, kijken naar’, zie → -scoop.
Os. biskop; ohd. biscof [8e eeuw], Opperduits piscof ‘bisschop, (heidens) priester’ (nhd. Bischof); ofri., nfri. biskop; oe. biscop ‘bisschop, (heidens) priester, joods hogepriester’ (ne. bishop); on. (< oe.) biskupr; got. aípiskaúpus ‘bisschop’ (rechtstreeks < Grieks).
De meningen over de weg waarlangs dit woord uit het Latijn in de Germaanse talen is terechtgekomen, zijn verdeeld. Volgens sommigen is het een zeer vroege ontlening [5e-begin 7e eeuw] via het Frankisch uit Gallo-Romaans *(e)bescobo. Anderen gaan ervan uit dat Angelsaksische missionarissen het woord op het Friese, Saksische en Frankische deel van het vasteland hebben verbreid. Aan de andere kant is ohd. biscof mogelijk geïntroduceerd door Italiaanse missionarissen.
bisschopswijn zn. ‘warme rode kruidenwijn’. Nnl. bisschop ‘rode kruidenwijn’ [1778; WNT], bisschopwijn [1961; Dale]. Ontleend aan Duits Bischof [1774] of Engels bishop [1738]. De herkomst van de benaming is niet duidelijk: de wijn is ofwel, door zijn violette kleur, genoemd naar het purperen bisschopsgewaad, ofwel het betekent letterlijk ‘bisschopsdrank’, dus ‘een bisschop waardige drank’.
Lit.: Frings 1966; Frings 1968, 235-238; Grauwe 1979/1982, 39-42; Mesotten 1996, 220; M. Rotsaert (1977) ‘Vieux-Haut-Allem. biscof / gallo-roman *(e)bescobo, *(e)bescobə / lat. episcopus’, in: Sprachwissenschaft 2, 181-216

EWN: ♦ bisschopswijn zn. 'warme rode kruidenwijn' (1778)
ANTEDATERING: bisschop 'rode kruidenwijn' [1768; iWNT]
Later: bisschopswijn [1875; AHB 31/10] (EWN: 1961)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bisschop [priester van de hoogste rang] {oudnederlands biscop 901-1000, middelnederlands bissc(h)op [bisschop, opziener over een school, hoofdpersoon van een feest]} < latijn episcopus [bisschop] < grieks episkopos [verspieder, iemand die toezicht houdt en -in speciale betekenis- bisschop], van epi [bij, op, naar] + skopeō [ik kijk naar]; daarbij episcopatus [(opzieners)ambt, bisschoppelijke waardigheid].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bisschop

Het woord bisschop is in vroege tijd ontleend aan de laat-latijnse vorm biscopus, die terug te voeren is tot de oorspronkelijke, welke episcopus luidde. Het woord episcopus betekent letterlijk: opziener, als term in de Christelijke kerk. In 1 Tim. 3:2 leest men dat de opziener der gemeente een onberispelijk man moet zijn, nuchter, bezonnen, slechts eenmaal gehuwd, zedig, gastvrij, bekwaam, geen drinker en vechter. Dat het woord episcopus tot biscopus werd, vindt zijn parallel in het woord apotheca dat vervormd werd tot botteca, Italiaans bottega, Frans boutique. De beginklinker sleet blijkbaar in de gesproken taal meer en meer af, doordat het accent er niet op viel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bisschop znw. m., mnl. bisscop, onfrank. biscop, ohd. biscof, ofri. os. biskop, oe. biscop, bisceop (on. biskup is door de angelsaks. prediking uit het oe. overgenomen). Men neemt als romaanse grondvorm aan *piscopu (vgl. logudorees piskamu en port. bispo) < lat. episcopus < gr. epískopos eig. ‘opzichter’ (zie Frings, Germ. Rom. 1932, 46).

Het woord betekent ook sedert de 18de eeuw ‘warme wijn’, evenals ne. bishop (sedert 1738 bekend), nhd. bischof (sedert eind 18de eeuw), nde. biskop, zo genoemd omdat het een bisschopsdrank, althans een bisschop waardige drank was (Kluge-Mitzka 79 herinneren aan de namen voor dranken Kardinal en Prälat.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bisschop znw., mnl. bisscop m. Sedert de 18. eeuw ook als naam van een drank (evenzoo eng. bishop, hd. bischof m.). = onfr. biscop, ohd. biscof (nhd. bischof), os., ofri. biskop, ags. bisc(e)op (eng. bishop) m., uit het Wgerm., on. biskup m. Een vroege westgerm. ontl. uit een vulgairlat. *biscopus voor lat. episcopus, gr. epí-skopos, oorspr. = “op-zichter”. Voor den vulgairlat. anlaut vgl. *botteca, -ica, spa. botica, catal., prov. botiga, it. bottega, fr. boutique enz. uit lat. apothêca. Got. aípiskaúpus “bisschop” direct uit het Gr.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bisschop. Beschouwingen over oudere bett. van het woord en de juiste rom. grondvorm (die niet met zekerheid vast te stellen is) bij Anatol Waag Teuth. 8, 20 vlgg. Als naam van drank ook de. biskop. De herkomst van deze benaming is onbekend; volgens sommigen = ‘bisschopsdrank’, volgens anderen naar de violette kleur.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bisschop 1 m. (prelaat), Mnl. bisscop, Onfra. biscop, gelijk Ohd. biscof (Mhd. en Nhd. bischof), Ags. bisceop (Eng. bishop), Ofri. biskop, On. biskup (Zw. biskop, De. bisp) uit Mlat. biscopum (-us) (waaruit Sp. obispo, Port. bispo), van Gr.-Lat. episkopos = opziener (hieruit Ofra. evesque, vesque, It. vescovo), gevormd met epì = op, en een afleid. van sképtesthai = zien (z. spieden); het Go. aipiskaupus was rechtstreeks aan ’t Gr. ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bisjop (zn.) bisschop; Aajdnederlands biscop <901-1000> < Latien episcopus.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

biskop I: “bekleër v. hoë rang in R.K. Kerk”; Ndl. bisschop (Mnl. bisscop), Hd. bischof, Eng. bishop, vroeë WGerm. ontln. aan Ll. biscopus uit Lat. episcopus uit Gr. episkopos, “opsigter”.

biskop II: ben. v. versk. visse; 1. “die bloue of swarte” (vlgs. sommige spp. Sparus, fam. Sparidae, vlgs. ander spp. Cymatoceps), en 2. “die witte”, spp. Sparus/Sparodon, fam. Sparidae), v. ook poenskop.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bisschop (Latijn episcopus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bisschop ‘priester van de hoogste rang’ -> Zuid-Afrikaans-Engels biskop ‘Zuid-Afrikaanse vissoort’ ; Indonesisch biskop, uskup ‘priester van de hoogste rang’; Javaans biskop ‘priester van de hoogste rang’; Mahican bishop ‘priester van de hoogste rang’ (uit Nederlands of Duits); Sranantongo biskop ‘priester van de hoogste rang’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bisschop priester van de hoogste rang 0901-1000 [WPs] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut