Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bioscoop - (filmtheater)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Een veertien jaar eerdere datering van bioscoop dan in het Chronologisch Woordenboek is te vinden in deze column van Ewoud Sanders.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bioscoop zn. ‘filmtheater’
Nnl. De Biograaf - het toestel, dat dient om de levende beelden te projecteeren en dat daarom liever Bioscoop moest genoemd worden [1898; WNT Aanv.], ‘soort toverlantaarn voor bewegende beelden’ [1914; Bos], bioscopen (mv.) ‘theaters waarin filmvoorstellingen plaatsvinden’ [1912; WNT Aanv.], in de Cineac of in 'n andere Bios [1937; WNT Aanv.].
Bioscoop (met als verkorte vorm bios) is als neologisme gevormd op grond van het Grieks bíos ‘leven’, zie → bio-, en het werkwoord skopeĩn ‘kijken’, zie → -scoop, omdat het leek of men naar levende beelden keek.
Hoe het woord in het Nederlands is terechtgekomen is niet zeker. Een voorloper van de huidige techniek was in 1895 de Bioskop van de gebroeders Skladanowsky in Berlijn. Een andere voorloper was in 1891 de bioscope van de Fransman Georges Demény, een apparaat dat met behulp van diapositieven en een draaiende schijf de illusie van bewegende beelden op een doek wekte. Ook zou er in Frankrijk in 1898 nog een filmprojectietoestel zijn uitgevonden met dezelfde naam. De techniek van de kinematograaf (zie → cinema) heeft al deze uitvindingen verdrongen, maar een ervan zal de aanleiding zijn geweest voor ons woord bioscoop. Later werd het ook gebruikt voor het gebouw waar de film wordt geprojecteerd, en in het hedendaagse Nederland is dit de enige betekenis.
In tegenstelling tot de meeste andere vormingen op basis van Griekse of Latijnse elementen bestaat het woord niet in andere moderne talen, behalve in het Nieuwfries (wellicht tegelijk met het Nederlands) en in het Servo-Kroatisch, dat naast kino in de spreektaal het woord bioskop kent, wellicht uit het Duits.
Lit.: Sijs 1998, 62-65

EWN: bioscoop zn. 'filmtheater' (1898)
ANTEDATERING: De bioscoop is de clou van de voorstellingen [1897; Rotterdamsch nieuwsblad (KB) 20/11]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bioscoop [theater waar filmvoorstellingen gegeven worden] {1901-1925} gevormd van bio- + -scoop.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bioskoop s.nw.
1. Filmprojektor. 2. Filmteater. 3. Filmvertoning.
Uit Eng. bioscope.
Eng. bioscope uit bio- van Grieks bios 'lewe' en -scope van Grieks skopein 'kyk', so genoem omdat iemand wat na 'n film kyk na bewegende of lewende beelde kyk.
D. Bioskop, Ndl. bioscoop (1901 - 1925).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

bioscoop

In de jaren 1895 en 1896 zag de bioscoop het licht. Al vanaf het begin van de negentiende eeuw waren in verschillende landen pogingen ondernomen om een toestel te maken dat bewegende beelden weer kon geven. Er werden verschillende opname- en kijkapparaten ontwikkeld, waarvan de meeste slechts een kort leven beschoren was. Het basisidee bestond uit het snel achter elkaar opnemen en afdraaien van een reeks foto’s, waardoor de illusie gewekt werd dat men naar levende beelden keek. De apparaten die ontwikkeld werden, kregen namen die verwezen naar dit procédé: de vitascope was een samenstelling van Latijn vita ‘leven’ en Grieks skopein ‘kijken’; de kinetoscope had als eerste lid Grieks kinèma, kinèmatos ‘beweging’; de cinématographe was samengesteld met hetzelfde Griekse eerste lid en Grieks graphein ‘schrijven’; en de Bioskop was samengesteld uit Grieks bios ‘leven’ en skopein ‘kijken’. De Engelse benaming van een speelfilm, motion picture, letterlijk ‘bewegend beeld’, verwijst nog naar dit idee.

De eerste grootschalige openbare bioscoopvoorstellingen werden eind 1895 gegeven. In november van dat jaar demonstreerden de gebroeders Skladanowsky hun Bioskop in de Wintergarten in Berlijn, en eind december volgden de gebroeders Lumière in Parijs hun voorbeeld met een demonstratie van de cinématographe. Het jaar daarop zag New York een voorstelling van Thomas Edisons kinetoscope.

Uiteindelijk won de cinématographe van de gebroeders Louis en Auguste Lumière het van de andere apparaten. De broers vroegen in 1895 patent aan op hun uitvinding, die films kon opnemen, kopiëren en projecteren. Na de eerste bioscoopvertoning in Parijs volgden al snel voorstellingen in andere landen. Volgens de Winkler Prins vond de eerste voorstelling in Nederland op 18 juni 1896 plaats en in België op 10 november 1895 — bedoeld zal zijn 1896. De techniek werd voortdurend verbeterd, en begin twintigste eeuw verbreidde de bioscoop zich in sneltreinvaart over de wereld.

De Fransen noemden de plaats waar voorstellingen werden gegeven de cinéma — een verkorting van cinématographe. De meeste talen hebben het woord cinéma uit het Frans overgenomen, en daardoor zeggen de Engelsen en Italianen cinema. De Duitsers hebben het Franse cinématographe overgenomen als Kinematograph en dit verkort tot Kino, wat nagevolgd is door de Russen en Noren, die beiden kino gebruiken. Maar het normale woord in het Nederlands is bioscoop. Het is onzeker waar dit woord vandaan komt. Wellicht gaat het terug op de naam die Max en Emil Skladanowsky gaven aan hun projectietoestel. Dit toestel is echter verdrongen door de uitvinding van de Lumières, en in Duitsland, waar de Bioskop zijn opkomst en ondergang beleefde, is het woord totaal verdwenen.

Volgens de zevende druk van de Winkler Prins en de Nederlandse Larousse-encyclopedie (niet de Franse versie) bestond er echter nóg een bioscope. Dit zou de naam zijn van een apparaat dat de Fransman Georges Demény (ook gespeld als Demeny en Demený) in 1891 had ontwikkeld. Dit apparaat, dat met behulp van diapositieven en een draaiende schijf beelden op een doek vertoonde, wordt als voorloper van de filmprojector beschouwd. Nogmaals volgens de encyclopedieën werd bioscoop in het Nederlands aanvankelijk gebruikt voor het door Georges Demény bedachte apparaat. Dat Demény een belangrijke rol gespeeld heeft bij de ontwikkeling van de film, staat buiten kijf. Hij was medewerker van de Franse arts en fysioloog E.J. Marey en ontwikkelde in 1895 een verbeterde versie van diens chronophotographe, die veel leek op de cinématographe. Dat dit toestel ook wel bioscope genoemd zou worden, heb ik echter alleen in Nederlandse bronnen kunnen vinden. Bovendien geeft de negende druk van de Winkler Prins nog een derde mogelijkheid: bioscoop zou genoemd zijn naar de bioscope van de Franse filmpionier Charles Urban, wiens projectietoestel door A. Nöggerath sinds 1898 in Nederland geïmporteerd werd. Ook hierover zwijgen de Franse bronnen — wat niet vreemd is, want de Franse bioscope is even spoorloos verdwenen als de Duitse Bioskop.

Of de naam bioscoop nu teruggaat op een Duitse of een Franse uitvinding, hij is bij ons in ieder geval kennelijk behouden en overgedragen op de door de Lumières bedachte filmprojector. De huidige betekenissen van ‘filmtheater’ en ‘film’ kreeg het woord later. De eerste filmtheaters werden tussen 1907 en 1910 gebouwd, eerder kende men slechts reizende bioscoopvoorstellingen die onderdeel waren van een variétéprogramma. Het woord bioscoop komt in het Nederlands voor het eerst in 1910 voor, in een vertaalwoordenboek. In 1911 omschrijft Koenen het in zijn woordenboek als ‘toestel waarmede men beelden als levend te aanschouwen geeft of projecteert op een wit vlak doek’, en voegt daaraan ten onrechte toe: ‘uitvinding van Edison’.

In het Nederlands is ook het woord cinematograaf bekend. In 1908 meldt een handboek op het gebied van de elektriciteit: ‘De cinematograaf [...] dit toestel, dat “levende fotografieën” op het scherm te zien geeft’. In de beginperiode ondervond de naam bioscoop concurrentie, enerzijds van cinematograaf/kinematograaf als benaming voor het toestel, en anderzijds van cinema/kinema als benaming voor het filmtheater. Maar van het begin af aan had bioscoop op beide namen de overhand, en cinematograaf is tegenwoordig wel geheel verouderd (evenals de betekenis ‘projectietoestel’ van bioscoop), terwijl cinema alleen in eigennamen voorkomt. Direct al werd in de woordenboeken bij cinema etc. doorverwezen naar bioscoop. Van Dale gaf in 1914 de veelzeggende voorbeeldzin: ‘de bioscoop is de verbeterde kinematograaf’, een zin die in 1992 overigens nog steeds in Van Dale te vinden is! Deze zin doet de waarheid geweld aan. Zoals boven gebleken is, was de bioscoop een oudere vorm van de cinematograaf.

Er werd onmiddellijk veel over de nieuwe uitvinding geschreven, aanvankelijk vooral met de scepsis die iedere vernieuwing in Nederland ten deel valt. In 1912 verscheen van de hand van M.C. Nieuwbarn O.P., die een groot aantal dikke religieuze handboeken op zijn naam heeft staan, een zestien pagina’s tellend pamflet getiteld Het dreigend gevaar. Over bioskopen en controle. In 1913 schrijft de Notenkraker spottend dat de ‘vertolker der wisselbeelden’ spreekt ‘in het meest onvervalschte bioscoop-hollandsch’ — het gaat hier om degene die tijdens de film tekst voorlas, want de geluidsfilm liet nog enkele decennia op zich wachten. Nog in 1926 merkte Huizinga op: ‘Met den bioscoop [...] deelt de radio de eigenschap, dat zij dwingt tot een sterke maar oppervlakkige spanning der aandacht, die het na-denken [...] volstrekt uitsluit.’

Het Nederlands is een van de weinige talen die bioscoop gebruiken en niet cinema. Het woord bioskop komt verder nog voor in het Servisch en Kroatisch; het is daar een spreektaalwoord naast kino, en zal aan het Duitse Bioskop ontleend zijn. Aan Nederlandse invloed zijn Afrikaans bioskoop en Indonesisch bioskop te danken. Ook Fries bioskoop zal op Nederlandse invloed te herleiden zijn, hoewel het woord in het Fries eerder gevonden is dan in het Nederlands, namelijk al in 1907: ‘Der is by Van der Meulen in byoskoop [...]’.

Informatie over de bioscoop in Indonesië dank ik aan prof. dr. Jan de Vries. In Indonesië is bioskop het meest gebruikte, gewone woord; ‘cinematografie’ wordt perbioskopan genoemd. Ook in het Javaans en Soendaas is bioskop het gebruikelijke woord. In de jaren twintig was er in ieder geval in Batavia (het huidige Jakarta) een bioscoop, en in de jaren dertig kwamen er meer, verspreid over de grote steden van de archipel. Het woord werd toen nog als bioscop gespeld. Daarnaast kent het moderne Indonesisch ook het woord sinema, maar dit wordt omschreven met het synoniem bioskop. Wel staat op nieuwe gebouwen steeds vaker sinema, soms zelfs met de officieel afgekeurde c: cinema, kennelijk onder Engelse invloed. Het is dus niet uitgesloten dat sinema op den duur bioskop zal verdringen.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Bioscoop (< Gr. βίος (bios) = leven, + → -scoop). Toestel voor het projecteren van bewegende (levende) beelden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bioscoop ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’ -> Fries bioskoop ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’; Zuid-Afrikaans-Engels † bioscope ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’ ; Noord-Sotho paesekopo ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’ ; Tswana baesekôpô ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’ ; Xhosa bhayiskopu ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’ ; Zoeloe bhayisikobho ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’ ; Zuid-Sotho baesekopo ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’ ; Shona bhaiskopu ‘film’ ; Indonesisch bioskop, biskop ‘filmtheater; (Bahasa Prokem) televisie’; Balinees bioskup ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’; Jakartaans-Maleis bioskop ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’; Javaans bioskop ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’; Madoerees bīskōp ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’; Menadonees bioskop ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’; Soendanees bioskop ‘theater waar filmvoorstellingen gegeven worden’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

bioscoop [filmtheater] (1909). De eerste bioscoop in Amsterdam wordt in 1909 geopend. In deze tijd raakt ook het woord film bekend in het Nederlands.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bioscoop theater waar filmvoorstellingen gegeven worden 1910 [Vd Sijs 1998]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut