Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

binnen - bw., (in een ruimte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

binnen bw., vz. ‘in een ruimte’
Mnl. binnen [1201-25; CG II, Floyr.].
Gevormd met het Proto-Germaanse voorvoegsel *bi- (zie → be-) bij *innan ‘binnen, in’, een vorm waar het Middelnederlands geen opvolger meer van heeft gehad, in tegenstelling tot bij bijv. het op dezelfde manier gevormde → beneden, waarnaast nog Middelnederlands neden bestond.
Met voorvoegsel komt dit woord alleen in de Noordzee-Germaanse dialecten voor: mnd., mhd. binnen (nhd. vz. alleen temporeel gebruikt); ofri. binna ‘binnen’ (nfri. binnen); oe. binnan (vz.) ‘binnen, in’. Daarnaast zonder voorvoegsel: os. innan (bw.) ‘inwendig, binnen’; ohd. innana (bw.) ‘binnen’, innan (bw., vz.) ‘innerlijk, in’ (nhd. innen ‘binnen, aan de binnenkant’); ofri. inna (bw., vz.) ‘binnen, in’; oe. innan; on. innan (nzw. innan ‘tevoren, vóór’); got. innana (alleen bw.) ‘binnen’; < pgm. *innan(a). Het achtervoegsel *-ana gaf oorspr. richting aan. Zie → in voor niet-Germaanse cognaten.

EWN: binnen bw., vz. 'in een ruimte' (1201-25)
ANTEDATERING: onl. binnen '(van) binnen' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

binnen* [ter aanduiding van het zich bevinden in een ruimte] {binnen, bin (voorzetsel en bijw.) 1201-1225} van be- + middelnederlands inne (bijw.), in (voorzetsel en bijw.); vgl. boven, beneden, buiten en middelnederlands bachten [achter].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bang

Bang is een wat wonderlijk woord. Het is verwant met angst en met eng. Maar waar komt die b dan vandaan? Wij moeten uitgaan van een woord ang dat in het Middelnederlands voorkwam, in de 17e eeuw nog zeer gewoon was, in de 18e eeuw nog wel gebruikelijk, maar dat nadien is verouderd. Oorspronkelijk was het een bijwoord en werd het in onpersoonlijke zegswijzen gebruikt. Men zeide: het werd hem ange, het doet hem ange voor: het kwelt hem, het benauwt hem. Voor dit bijwoord ang kwam veelvuldig het voorzetsel be- te staan en beide woorden zijn tot een geheel samengesmolten, zoals ook gebeurd is met woorden als: behalve, benevens, benoorden, binnen (samenhangend met in) en buiten (samenhangend met uit).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

binnen bw. voorz., mnl. mnd. binnen, ofri. binna, oe. binnan. Het woord is gevormd uit het voorvoegsel bi- (zie: be-) + germ. *innana, vgl. os. innan, ohd. innana, innan, ofri. inna, oe. on. innan voorz. bijw. en got. innana bijw. ‘binnen’, dat van in afgeleid is. Deze vorming met het voorvoegsel bi vinden wij eveneens in boven, buiten en mnl. bachten ‘achter’.

Mnl. bin evenals mnd. mhd. bin zal wel geen oudere vorm zijn met os. ohd. inna of inne, maar eerder een kruising van binnen en in.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

binnen bijw. en voorz., mnl. binnen. = mhd. (vooral md.) binnen (ook nhd.), mnd. binnen, ofri. binna, ags. binnan bijw. en voorz. “binnen”. Uit bi- (zie be-) + ohd. innan, innana, os. innan, ofri. inna, ags., on. innan voorz. bijw., got. innana bijw. “binnen”, een afl. van in. Mnl. bin (nog dial., bijv. Zaansch, wvla.), mhd., mnd. bin zal wel bij in zijn gevormd onder invloed van binnen. Wij mogen er geen samenst. met ohd., os. inna, ofri., ags. inne (= got. inna) of met ohd. inne, os. inne, on. inni in zien: dan zou de vorm binne moeten overwegen. Vgl. beneden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bachten bijw., met praef. be- en suff. -en uit achter gelijk boven en beneden uit over en neder; vergel. ook binnen en buiten uit in en uit. Die vormen bestonden reeds in de oudere Germ. talen; vergel. nog Ags. bútan, Eng. but = buiten, uitgenomen, maar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

binnen: naar binnen, in een richting loodrecht op de oever van een rivier, de kant van een weg o.i.d. (een zijweg in), in weinig of niet gecultiveerd gebied. Te koop hoogzandgrond, zeer geschikt voor landbouw en/of bouwgrond. Ligging: km* 12½ Highway*, plm. 250 m naar binnen (WS 11-9-1982, in adv.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

binnen ‘in (een ruimte)’ -> Duits binnen ‘aan de binnenkant; bijwoord van tijd, in de haven, in het schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch binen ‘succesvol zijn, binnen zijn’; Negerhollands bini, benǝ ‘in (een ruimte)’; Berbice-Nederlands ben ‘binnenkant’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † abini, bini, nabinisi ‘in, naar, binnen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

binnen* bijwoord van plaats 1201-1225 [CG II1 Floyris]

binnen* voorzetsel 1253 [CG II1 Gezondh.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

231. Binnen zijn,

d.w.z. zijne schaapjes op het droge hebben; in het algemeen ook: geborgen zijn. Waarschijnlijk is het een zeemansuitdr. en wil zij eig. zeggen: ‘binnen de haven zijn’, binnengaats zijn of binnenwals zijn (Kluchtsp. II, 197). Vgl. Winschooten, 26; 65: De Scheepen sijn binnens gaats, dat is, sij sijn binnen; 207: Hij sit in het riet en maakt pijpjes, dat is, hij laat fioolen sorgen; want hij is binnen best. In het Zaansch: ‘dat is binkas (binkes), dat is binnen (in de kast?)’, en binnen mikken zijn, onder dak zijn (Boekenoogen, 66 en 639; Bouman, 11) of ingepakt zijn (Zandstr. 86; Amst. 96), dat te vergelijken is met het fri. binnen 'e balken wêze naast binnen mikken brengen (in Menschenw. 516). Zie verder Ndl. Wdb. II, 2715 en vgl. Schuerm. Bijv. 137 b; 38 b; Antw. Idiot. 239; Waasch Idiot. 117 a en vgl. de synonieme 17de-eeuwsche uitdrukking honk zijn; ook amerik.-eng. to be (all) hunk, to be in a safe or good position or condition (Ndl. Wdb. VI, 935).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal