Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bink - (forse man, kerel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bink zn. ‘forse man, kerel’
Nnl. (Bargoens) bink ‘man’ [1731; Moormann 1932], ‘man, grote, forse kerel, politieagent’ [1956; Koenen], ‘knul, kerel’ [1974; Koenen].
Ontleend aan Bargoens bink, oorspr. een woord uit de zigeunertaal béng, being, beinck ‘duivel’.
Volgens Moormann 1932 is het zigeunerwoord zowel in Nederland als in België sinds ca. 1500 opgenomen in de taal van zwervers; naderhand is het ook doorgedrongen in het Bargoens van de grote steden. In het Rotwelsch, de Duitse variant van het Bargoens, komt het woord ook voor, bijv. in het Nederduitse Liber Vagatorum [1510]: bink ‘boer, burger, inwoner’. Endt 1972 vermeldt bink ‘manspersoon, klant van een prostituee’. In het zuidelijke Bargoens komt op verscheidene plaatsen de betekenis ‘vriend, maat’ voor; verder kent men in Belgische dialecten bink in de betekenissen ‘minnaar, kameraad’ (Joos), als spotnaam voor een Turnhoutenaar (Cornelissen) en in de vorm bing als ‘kind, vriend’ (Desnerck). In de loop van de 20e eeuw is bink in de standaardtaal doorgedrongen als ‘(stoere) jongen, man, kerel’.
Naast dit Bargoense bink bestond er een bink met een overwegend negatieve betekenis ‘lomperd’ (vnnl. bincken (meervoud) ‘kerels’ [ca. 1560; Mak 1959], binck ‘lomperd, lummel’ [1599; Kil.]; nnl. bink ‘bengel, lomperd, beunhaas; knol’ [1808; Weidenbach], als variant van → bonk en bunk. Deze betekenis als persoonsaanduiding heeft zich ontwikkeld uit ‘bot; lomp, groot stuk’ en komt ook in het Nederduits voor. Het is dit woord dat we onder andere nog vinden in de samenstelling ketelbink(ie) ‘scheepsjongen, manusje-van-alles op een schip’ [1940; Reijt 1987].
Lit.: V. v.d. Reijt (1987) Toen wij van Rotterdam vertrokken, Amsterdam, 59-60

EWN: bink zn. 'forse man, kerel'; de betekenis 'forse man, kerel' (1956)
ANTEDATERING: uwe bink in Steê 'uw kerel in de stad' [ca. 1730; Rosseau, 132]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bink [barg.: man] {1731} vgl. rotwelsch Bing < zigeunertaal beng [duivel] ofwel van bink(e) [bonk, lomperd] {1560} dat vermoedelijk hoort bij bonk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bink znw. m., ‘bonk, lomp voorwerp; oude knol; lomperd’ eerst nnl., verg. echter dial. bink ‘groot stuk; lomperd’, ook mnd. binke naast bunke ‘kerel’. — Het staat naast bonk.

Evenals bonk naast ohd. bungo ‘knol’, zo staat bink naast on. bingr ‘hoop’; men kan dus aan abl. woorden denken. In het geval van bink zou ik toch eerder affectieve klinkervariatie willen aannemen. Of het woord bink in de uitdrukking de bink steken ‘van school wegblijven’ hetzelfde woord is, is twijfelachtig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bink znw., eerst nnl. Bink “groot stuk” (dial., bijv. Zaansch) en “lomperd, lummel” (reeds bij Kil.) zal wel één woord zijn, verwant met bonk. Voor de bet. vgl. bonk “lompe kerel”, ook “stevige kerel”, bengel e.dgl. Ook (den) bink steken, binken e.dgl. uitdrr. voor “van school, van ʼt werk wegblijven” zullen hier wel bij hooren. Dial. komen nog andere bett. voor, vgl. ook fri. bink “geval”, bijv. in lilke bink. Voor bink, bing “man” in de dieventaal heeft men aan ontl. uit zig. beng “duivel” gedacht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bink. Vgl. nog mnd. bink(e), waarnaast bunke m. ‘kerel’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bink m. (lomperd), met ablaut en nk uit ng van hetzelfde ww. waarvan bengel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bing, bink, zn.: kerel, man, bink; politieagent. Bargoens beink, being, beng, Zigeunervorm béng (mv. béngá) voor ‘duivel’ (Moormann).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bing, zn. m.: kerel, man, bink. De bet. komt overeen met die van Ndl. bink (zie etymologische woordenboeken). Maar de Wvl. uitspraak heeft open è (béng) en niet de dan verwachte biengk. Daarom veeleer Bargoens beink, being, beng < Zigeunervorm béng (mv. bengd) voor ‘duivel’ (Moormann).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bink (Zigeunertaal beng)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

bink, dokken, joekel, gids, mollen, pieren, pooier, verpatsen

De zigeuners hebben geen eigen land, maar wonen van oudsher verspreid over Azië en Europa. Er zijn naar schatting twee tot drie miljoen zigeuners, waarvan de meesten in Europa wonen. De zigeuners noemen hun taal Romani. Het Romani is een Indi­sche taal die verwant is met het Oudindisch of Sanskriet en met moderne Indische talen als het Bengali in Bangladesh, het Hindi in India en het Urdu in Pakistan. In de vierde eeuw voor Chr. zijn de zigeuners om onbekende redenen weggetrokken uit hun stamland India. In eerste instantie trokken ze naar Perzië en Armenië, waar ze lange tijd bleven. Vanaf de elfde eeuw ver­spreidden zij zich over Griekenland en de Balkan, en van­daar over de rest van Europa. Vanaf ongeveer 1420 verbleven er zigeuners in West-Europa. De huidige Zigeunertaal bestaat uit wel zestig dialecten, die leenwoorden hebben opgenomen uit de talen van de landen waar de zigeuners korter of langer verbleven. Het omgekeerde gebeurde ook, zij het op kleinere schaal: andere talen, waaronder het Nederlands, hebben woorden ontleend aan de Zigeunertaal.

De zigeuners hebben in twee verschillende periodes in de Nederlanden gewoond. Hun eerste verblijf duurde ruwweg van 1420 tot 1750. De eerste zigeuners die rond 1420 naar de Lage Landen kwamen, werden gastvrij onthaald. Zij trokken naar de grotere steden en vertelden dat ze pelgrims waren die door de ‘ongelovige Saracenen’ (Arabieren) uit hun geboorteland ‘Klein-Egypte’ waren verjaagd. Ze hadden aanbeve­lingsbrieven bij zich van de paus, keizer Sigismund en andere hoogwaardigheidsbekleders. Door het gedrag van sommige zigeuners (kruimeldiefstal, landloperij, bedelarij), maar ook door andere factoren zoals de verslechterde economische omstandig­heden, veranderde de houding tegenover de zigeuners en mochten ze alleen nog op het platteland verblijven.

In het begin van de zestiende eeuw verschenen de eerste plakkaten tegen de zigeuners. Maar het overheidsoptreden was in deze eeuw nog betrekkelijk mild, de zigeuners werden voornamelijk verbannen. In de zeventiende eeuw verhardde het beleid en werden er zelfs ‘heidenjachten’ gehouden. De zigeuners vermengden zich in deze eeuw met andere zwerversgroepen. Tot 1709 mochten zigeuners niet over de gewestelijke grenzen heen vervolgd worden en waren ze dus veilig als ze bij onraad over een grens trokken. Maar in 1709 en 1710 sloegen de gewesten de handen ineen en spraken af dat zigeuners ook over de grenzen heen vervolgd konden worden. Dit luidde het einde in van het ver­blijf van de zigeuners alhier. In de eerste helft van de achttiende eeuw verdwenen ze uit de Nederlanden: een deel van hen ging op in de zwerversbevolking, een deel vluchtte en de rest werd gedood. O. van Kappen, die de geschiedenis van de zigeuners in Nederland heeft beschreven, vatte dit eerste verblijf als volgt samen: ‘De geschiedenis van de zigeuners [...] in de Noordelijke Nederlanden beslaat [...] een tijdvak van ruim drie eeuwen [...], waarin wij hun juridische status zien degraderen van die van alom geëerde, in een reuk van heiligheid en geheimzinnigheid staande vreemde pelgrims, tot die van een “samengerotten hoop van lediggangers en dievengespuis”.’

Van ongeveer 1750 tot 1850 verbleven er geen zigeuners in de Nederlanden, maar daarna trokken er weer zigeuners binnen. Dit is het tweede verblijf van de zigeuners. Er worden nu verschillende zigeunergroepen onderschei­den. De drie hoofdgroepen zijn de Kalderasch uit de Balkan en Midden-Europa, de Sinti of Manush uit Duitsland en Frankrijk, en de Gitanos op het Iberisch schiereiland, in Noord-Afrika en Zuid-Frankrijk. Van die laatste groep zijn nooit veel vertegenwoordigers in Nederland geweest. De algemene naam die de zigeuners zichzelf geven, is niet zigeuner — die naam gebruiken alleen niet-zigeuners — maar Rom of Roma, wat letterlijk ‘man, echtgenoot’ en vandaar ‘zigeunerman’ betekent. Van Rom komt waarschijnlijk Engels rum, oorspron­kelijk ‘uitstekend’, maar tegenwoordig alleen ‘vreemd’: he is a rum old bird ‘hij is een vreemde vogel’. Zigeuners noemen een niet-zigeuner gadžo, een pejoratief woord met de betekenis ‘boer, lomperik, niet-zigeuner’. Het woord zigeuner is via het Duits ontleend aan Hongaars cigány. Het Hongaarse woord gaat terug op Grieks tsínganos, waarschijnlijk van Athínganoi, de naam van een ketterse sekte in Frygië en omgeving. De naam van de sekte werd overgedragen op de zwervende zigeuners. De oudste vorm van zigeuner, uit 1575, luidde syngainder; in 1595 kwam de spelling zigeyner voor en in 1778 zigeuner.

Vanaf 1868 trekken Kalderasch en Ursari naar Nederland. Kalderasch zijn van oorsprong Hongaarse ketellappers, Ursari zijn Bosnische berenleiders. Na 1900 komen Lowara, paardenhan­delaren uit Hongarije en de Balkan, via Duitsland, Frankrijk en Scandinavië naar Nederland. De Kalderasch en Lowara behoren tot de Roma-zigeuners, van de Ursari is dat niet zeker, sommi­gen zeggen dat zij geen Zigeunertaal spraken. Vanaf het midden van de negentiende eeuw verblijven er in Nederland Sinti, die van beroep muzikant of kunstenmaker zijn en uit Duitsland en Frankrijk komen. Vooral tussen 1900 en 1920 trekken veel Duitse Sinti naar ons land.

Vanaf het eerste voorkomen van zigeuners midden negentiende eeuw trachtte de overheid hen te weren, al werden niet alle groepen op dezelfde manier behandeld. De plaatselijke bevolking had contact met hen — de zigeuners verdienden hun geld door te handelen met de bevolking of door hen te vermaken. In de Tweede Wereldoorlog vervolgden de Duitsers de zigeuners en dwongen hen zich in verzamelkampen te vestigen. Veel zigeuners onttrokken zich hieraan: ze doken onder of gingen in huizen wonen. In mei 1944 werden na een razzia 245 zigeuners naar Duitsland gedeporteerd. Na de oorlog verbleven er nog maar weinig zigeuners in Nederland en België. Eind jaren tachtig woonden er naar schatting ruim 1000 zigeuners in ieder land.

Hebben de twee verblijven van de zigeuners in de Nederlanden nu ook geleid tot leenwoorden uit de zigeunertaal? Ja, maar aanvankelijk alleen in het Bargoens, de taal van dieven, landlopers en rondtrekkende handelaren. Doordat zigeuners zich in het verleden niet in het Nederlandse gebied mochten vestigen, hadden ze niet met alle lagen van de bevolking contact, maar voornamelijk met andere zwer­vende groepen. Daardoor zijn de zigeunerwoorden eerst opgenomen in het Bargoens, en vandaaruit is een deel van de woorden in het Standaardnederlands terechtgekomen. Er is slechts één leenwoord uit de Zigeunertaal dat níét via het Bargoens geleend is, en dat is gids. Gids is afgeleid van het zigeunerwoord gadžo ‘niet-zigeuner, boer’, speciaal ‘boer die handlanger van de zigeuners is’, vergelijk zeventiende-eeuws gidje ‘spion’ en de Kempense vorm gids ‘lange, magere vrouw’. De betekenisontwikkeling van ‘zigeuner­vrouw’ tot ‘leider, leidsman’ kan verklaard worden uit het feit dat de zigeuner­vrouwen voorop gingen en het terrein verkenden, waarbij ze optraden als gidsen en tegelijk als spionnen.

Voor zigeunerwoorden in het Bargoens moeten we te rade gaan bij J.G.M. Moormann, de auteur van een tweedelig standaardwerk uit 1932-1934 over het Nederlandse Bargoens. In totaal heeft Moormann in de verschillende Bargoense dialecten 132 woorden gevonden die aan de Zigeunertaal zijn ontleend, waarvan iets minder dan de helft alleen vóór 1900 is gebruikt. De meeste zigeunerwoorden vond hij in de ‘Saksische’ gebieden (Gelderland en de noordelijker provincies), die grenzen aan Duitsland. Van de zigeuner­woorden die nog na 1900 in het Bargoens gebruikt zijn, trof Moor­mann er veertig op slechts één plaats aan. Deze laat ik verder buiten beschouwing. Negenentwintig woorden werden op meerdere plaatsen gebruikt, en elf hiervan zijn vrijwel overal bekend.

De elf algemeen bekende woorden zijn: ­bink (van Zi­geunertaal béng ‘duivel’), dokken (mogelijk van Zigeunertaal dau ‘geven’), gees/gies ‘vrouwspersoon’ (van gaji ‘boerin’), joekel, ook joe­kert, tjoekel, sjoeker (van giuchél ‘hond’), kach(e)lientje, kakelientje, kakelinnen ‘kip, kippen’ (van chaini), mangen ‘bedelen’ (van mangáu ‘vragen’), maro ‘brood’ (van manrô), mollen ‘doodma­ken’ (van muló, bijvoeglijk naamwoord ‘dood’), sjank, chanke, sankse ‘kerk’ (van kangheri) met de afleiding sjanken ‘trouwen’, en ten slotte treiers/treders/trederikken ‘schoenen’ (van cirach, tirach). Hoewel treders/trederikken afgeleid lijken van treden, kan dit niet het geval zijn, want deze woorden komen ook voor in dialecten waar treden niet bestaat.

Opvallend zijn de betekenisverschuivingen bij bink (van ‘duivel’ naar ‘stoere vent’) en bij joekel (van ‘hond’ naar ‘groot voorwerp, kanjer’). Qua betekenis kunnen we bink vergelijken met Engels pal ‘vriend, maat’ en bloke ‘kerel’, die waar­schijnlijk beide geleend zijn uit de Zigeunertaal. Interessant is nog dat Zigeunertaal gaji ‘boerin’ — geleend als gees/gies ‘vrouwspersoon’ — de vrouwelijke vorm is van gadžo ‘boer’, dat we hebben overgenomen als gids.

Alle elf woorden zijn al voor 1800 gevonden, behalve joekel (ca. 1860), kach(e)lientje (1922) en mangen (1890). Gezien de grote verbreiding van deze woorden is Moormann van mening dat ze al vroeg zijn ontleend en ‘dagteekenen uit de eerste periode van ‘t Zigeunerverblijf hier te lande, dus uit ± 1500’. Volgens Moormann waren mangen ‘bedelen’ en maro ‘brood’ de meest gebruikte woorden, wat paste bij de leefwijze van de zigeuners. Over de andere woorden schrijft hij: ‘Joekel, de vreesaanjagende hond, mollen, het doodmaken, bink en gies, aanspreekvormen zijn al even veel­vuldig; opmerkelijk is sankse “kerk”. Maar we weten, dat de eerste Zigeuners nogal vroom deden. Deze enkele woorden geven ons al een diepe kijk in het armelijke leven der zwer­vers’.

Behalve de elf genoemde ruim verbreide woorden vond Moormann achttien zigeunerwoorden die in deze eeuw op meer dan één plaats ge­bruikt werden: baloo ‘varken’, bok ‘honger’ (vergelijk in Duitse spreektaal Bock haben ‘honger hebben’), galo ‘boer’, gemol, ook molle ‘spek’, gorgel ‘hals’, jaakveesken ‘lucifer’, karrejuks/karriot ‘karnemelk’, kotter ‘boterham’, lovie ‘geld’, pavel ‘appel’, piotes ‘luizen’, pooi ‘rivier’ en de afleiding pooien ‘drinken’, ratjes ‘marechaussee’, steernikkel ‘kat’, tioren/tjoeren ‘stelen’, val ‘deur’ en vattelink ‘goed’.

Het oudst zijn pooien (al van rond 1500) en val (1769). Kotter en pooi zijn eind negentiende eeuw voor het eerst aangetroffen, maar op meerdere plaatsen. Het moeten dus oude leenwoorden zijn. De overige woorden zijn pas voor het eerst in deze eeuw gevonden en hadden geen ruime verbreiding.

Opvallend is het landelijke karakter van de woorden (boer, rivier) en het grote aantal woorden die met eten te maken hebben: varken, spek, karnemelk, boterham, appel; honger, geven en drinken. Uit de dieventaal komen de woorden voor stelen, marechaussee, deur/goed en gereedschap.

Een andere bron waarin zigeunerwoorden genoemd worden, is het boek De boeventaal, dat commissaris van politie W.L.H. Köster Henke in 1906 het licht deed zien om politie en justitie te helpen de ‘jongens van de vlakte’ te verstaan. Köster Henke vermeldt vier zigeunerwoorden die niet door Moormann zijn genoemd: katsjemme, pieren, poekelen en verpatsen. Katsjemme, door Köster Henke omschreven als ‘luimkeet, penne, slaapstee’ is een jong leenwoord; het komt ook voor in het Duits, waar Kaschemme een gewoon woord is voor ‘onderwereldkroeg, kroeg die slecht bekend staat’. Pieren en verpatsen zijn afleidingen van veel eerder geleende zigeunerwoorden. Pieren ‘gokken, dobbelen’ en ‘muziek maken’ komt van pierder ‘gokker, speler’ (1731), een afleiding van een zigeunerwoord pérjas ‘scherts, vrolijkheid’. Verpatsen is waarschijnlijk gevormd naast het veel oudere verpassen (1576), een samenstelling van ver- en pas­sen ‘kopen’, dat is afgeleid van Zigeunertaal pasj ‘deel’. De -t- in verpatsen kan wellicht uit klanksymboliek (handslag bij verkoop) verklaard worden. Poekelen ‘te veel praten, doorslaan’ is een jong leenwoord, een afleiding van Zigeunertaal p’uk ‘bekennen, verraden, aanklagen’; iets ouder is poekeren ‘spreken’, maar ook dat is pas sinds eind negentiende eeuw bekend.

Van twee woorden die in Moormann genoemd zijn, geeft Köster Henke een nieuwe betekenis, namelijk van piot en pooien. Moor­mann heeft opgenomen piotes ‘luizen’, een woord dat in verschillende dialecten, zoals de Zaanstreek en Groningen, als pioter ‘hoofdluis’ voorkomt en afgeleid is van Zigeunertaal pisjom, pusjum ‘vlo’. Köster Henke daarentegen vermeldt piot ‘soldaat’, dus met een betekenisverschuiving van ‘ongedierte’ naar ‘soldaat’. De oudste betekenis van pooi­en was, zoals we gezien hebben, ‘drinken’. Köster Henke noemt echter de betekenis ‘eten, zich laten onderhouden’; deze betekenis is wellicht ontstaan via ‘drinken op kosten van’. Van pooien is pooier afgeleid, dat bij Köster Henke voor het eerst voorkomt en dat hij omschrijft als ‘dikvreter; kerel die met een meid leeft, die voor hem den kost verdient’.

In totaal zijn, de onzekere afleidingen meegerekend, drieëndertig zigeunerwoorden in de twintigste eeuw op meerdere plaatsen genoteerd. Hiervan is ruim de helft, achttien om precies te zijn, een overblijfsel van het eerste verblijf van de zigeuners, namelijk: bink, dokken, gees/gies, gids, joekel, kach(e)lientje, kotter, mangen, maro, mollen, pieren, pooi, pooien, sjank, sjanken, treiers/treders/tre­derikken, val en verpassen. Acht zigeunerwoorden zijn opgenomen in het algemene Nederlands: bink, dokken, gids, joekel, mollen, pieren, pooier en verpatsen. Al deze woorden stammen uit het eerste verblijf van de zigeuners, en komen dus al ongeveer vier eeuwen lang in het Nederlands voor. De oudste contacten hebben klaarblijkelijk een diepe en langdurige indruk achtergelaten, terwijl de jonge contacten veel vluchtiger zijn geweest. Circa 135 woorden die ooit uit de Zigeunertaal geleend zijn, waarvan er acht zich blijvend in de taal gevestigd hebben, lijkt misschien niet veel, maar ter vergelijking: de Oxford English Dictionary, het grootste Engelse woordenboek, dat de woordenschat van het Engels van het midden van de twaalfde eeuw tot heden beschrijft, noemt in totaal twaalf Engelse leenwoorden uit de Zigeunertaal; het Deutsches Universalwörterbuch noemt er voor het Duits zelfs maar drie. Zo’n slecht figuur slaat het Nederlands dus niet.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bink Bargoens: man 1731 [Endt] <Romani

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

230. Den bink steken.

Eene der vele uitdrukkingen voor heimelijk de school verzuimen, stukjes draaien, vooral bekend uit de Camera Obscura, naast binkje of pinkje steken, pinkiesteek doen, (de) bink of binkje spelen, binkje draaien. Van werkvolk, dat gedurende een dag of een deel daarvan niet op het werk komt, zegt men dat ze binken, een bink hebben of maken; vgl. Ndl. Wdb. II, 2712; Archief I, 198; De Cock en Teirl., Kinderspel en Kinderlust VII, 186; Boekenoogen, 66; Bouman, 11; De Vries, 64. De uitdrukking komt sedert de 17de eeuw voor (Nav. 1902, 446) en schijnt uitsluitend in Noord-Holland gebruikt te zijn. Over den oorsprong is niets met zekerheid te zeggen. Daar bink naast bing, ontleend aan het Zigeunsche beng (duivelZie Prof. M.J. de Goeje in Album-Kern, 25 en Tijdschr. XIV, 63.), ook in het Bargoensch, de dieventaal, voorkomt als meester, vader, baasZie I. Teirlinck, Woordenboek van Bargoensch, 6 en vgl. in het hd. bink, een luie houder van een dievenkroeg; E. Rabben, die Gaunersprache, 26: binken, arbeitsscheue Sonnenbrüder., kan binken oorspr. beteekenen ‘den baas spelen’, ‘het heertje uithangen’, syn. den bink spelen, bij overdracht lui zijn, niet naar school gaan, en door invloed van het synonieme stukjes draaien ook binkje draaien en van het synonieme pluimke steken of een dergelijke ook binkje steken, den bink steken. (Aanv. ) Vgl. voor het gebruik van 't ww. steken het Ndl. Wdb. XII, 1755 i.v. pijpsteken, wegloopen, vluchten, en 't aldaar vermelde den bout, den bijs steken, schenesteken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut