Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bingelkruid - (smeerwortel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bingelkruid [smeerwortel] {bingelcruut 1599} < hoogduits Bingelkraut, waarvan het eerste lid wordt verklaard als een verkleiningsvorm van een woord dat voorkomt als oudhoogduits bungo [knol], verwant met nederlands bonk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bingelkruid znw. o., mnl. bingelcruut, nhd. bingelkraut. Het 1ste deel bingel is te vergelijken met bungel, verkleinwoord van een woord als ohd. bungo ‘knol’. — Zie verder: bengel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bengelkruid o., + Hgd. bingelkraut saamgest. met *bengel, waarin e = i vóór n, en i zelf = u, Mhd. bungel, afgel. van Ohd. bungo (Mhd. en Nhd. bunge) = knol, On. bingr = bolster (Zw. & De. bunke), verwant met bonk.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

BINGELKRUID
Tuinbingelkruid | Mercurialis annua L.

Deze plant heet in het Duits Bingelkraut en bingel zou afkomstig zijn van het oude Duitse woord bungo dat knol betekent en dit zou dan slaan op de kleine, knolvormige vruchten. Maar omdat een aftreksel van de plant urine-afdrijvende eigenschappen heeft, wordt ook soms vermoed dat bingel afkomstig is van een oud Duits werkwoord bingeln dat urineren betekent en dat zo het Duitse woord Bingelkraut ontstaan is.

De Nederlandse naam is via Binghel- cruyt gewoon uit het Duits overgenomen.

Dodoens (1618) onderscheidt het Tam Binghel-cruyt Manneken en het Tam Binghel-cruyt Wijfken. De plant is inderdaad tweehuizig, maar wat bij Dodoens de mannelijke plant genoemd wordt, is eigenlijk de vrouwelijke die de vruchtbeginsels met de zaadbeginsels draagt. Die vruchtbeginsels liggen als steentjes twee aan twee en deden denken aan een mannelijk geslachtsorgaan en vandaar manneken voor de vrouwelijke plant. En het wijfken draagt lange aren met eigenlijk mannelijke bloemen die als de zaden beschouwd werden en waarvan gedacht werd dat ze voor de vermenigvuldiging van de plant zorgen. Dioscorides in zijn De materia medica (1ste eeuw na Christus) schreef dat als een vrouw een aftreksel van de bladeren van het wijfken drinkt ze een dochter zal baren, gebruikt ze het manneken, de vrouwelijke plant dus, dan baart ze een zoon. In de tijd van Dodoens had het onderscheid tussen een manneken en een wijfken bij plantennamen niets te zien met het voortplantingsproces bij planten, want toen had men daar nog geen duidelijke kennis over.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal