Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bindsel - (dat wat bindt of wat dient om te binden)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bunsel 1 zn.: luier. Ovl.-Wvl. bunsel, m.n. ‘grote luier waarin de baby helemaal ingebakerd werd’. Uit bundsel, afl. van ww. binden. 1562 bunsel van eenen kindt ‘le maillot d’un enfant’ (Lambrecht); 1599 bundsel, bondsel ‘cunabula (wieg), fasciae (windsels)’ (Kiliaan). Samenst. kinderbunsel, bunselmande.

bunsel 2 zn.: bundel; ijzeren band om de steel van een zeis, ring waarmee de zeis aan de steel bevestigd is. Zelfde woord als bunsel 1.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bunsel 1 (G, ZV), beunsel (ZO), zn. m.: grote luier waarin de baby helemaal ingebakerd werd. Uit bundsel, afl. van ww. binden. 1562 bunsel van eenen kindt 'le maillot d'un enfant' (Lambrecht); 1599 bundsel, bondsel 'cunabula (wieg), fasciae (windsels)' (Kiliaan). Afl. ww. bunselen 'inbakeren', ook 'slordig inpakken, slordig kleden' (R). Samenst. kinderbunsel, bunselmande (ZV). Afl. bunselen (E), inbunselen (G) 'inbakeren'.

bunsel 2 (ZV), zn. m.: bundel; ijzeren band om de steel van een zeis. Zelfde woord als bunsel 1.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bunsel (B, D, I, K, M, P, R), zn. m.: grote luier waarin de baby helemaal ingebakerd werd. Uitspraak voor bundsel. 1562 bunsel van eenen kindt ‘Ie maillot d’un enfant’ (J. Lambrecht); 1599 bundsel, bondsel ‘cunabula (wieg), fasciae (windsels)’ (Kiliaan). Afl. van binden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bindsel ‘dat wat bindt of wat dient om te binden’ -> Deens bændsel ‘het samenvoegen van twee touwen; bindgaren’ (uit Nederlands of Duits); Zweeds bänsel, bändsel ‘bindmateriaal om twee delen van een touw met elkaar te verbinden’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools bencel ‘bindzeil; bindtouw’; Russisch bénzel', vénzel' ‘bindzeil; bindtouw’.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal