Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

binden - (vastmaken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

binden ww. ‘vastmaken’
Onl. bebundona (verl.deelw.) ‘gebonden’ [10e eeuw; W.Ps.], zesamene gebunden ‘samengebonden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. binden [1220-40; CG II, Aiol].
Os. bindan (mnd. binden); ohd. bintan (nhd. binden); ofri. binda (nfri. bine); oe. bindan (ne. bind); on. binda (nzw. binda); got. bindan; < pgm. *bindan-.
Buiten het Germaans verwant met: Latijn offendīx ‘kinband van de priestermuts’; Grieks pentherós ‘schoonvader’ (= ‘verwant; met wie men verbonden is door het huwelijk’), peĩsma (< penth-sma-) ‘band’; Sanskrit bádhnā́ti (nultrap) ‘hij bindt’, bándhu- ‘verwant’; Avestisch banayeiti ‘hij bindt’; Litouws beñdras ‘deelnemer’; bij de wortel pie. *bhendh- ‘binden’ (IEW 127); hierbij horen misschien ook Oudiers buinne (< *bhondhiā) ‘band’; Gallo-Romaans benna (< *bhend-nā) ‘wagenkorf’ (> Frans benne, banne, waaruit → ben ‘tenen mand’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

binden* [met touw vastmaken] {1201-1250} middelnederduits binden, oudsaksisch, oudengels, gotisch bindan, oudfries, oudnoors binda; buiten het germ. litouws bendras [gemeenschappelijk, partner], gallisch benna [rieten (gevlochten) wagenbak], oudiers buinne [band], oudindisch bandhu- [bloedverwant], badhnāti [hij bindt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

binden ww., mnl. mnd. binden, os. oe. bindan, ohd. bintan, ofri. on. binda, got. bindan. — lat. offendimentum ‘kinband aan de priestermuts’, gr. peísma (< *penthsma) ‘baud’, pentherós ‘schoonvader’, oi. badhnati ‘bindt’, bandhu- ‘verwant’, lit. bèndras ‘deelnemer’, gall. benna ‘wagenkorf, voertuig’ (zie: ben 1), miers buinne (< *bhondhia) ‘band’; idg. wt. *bhendh (IEW 127). — Zie: band, bint, bond, bundel, verder nog beun en boes.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

binden ww., mnl. binden. = onfr. bindan, ohd. bintan (nhd. binden), os. bindan, ofri. binda, ags. bindan (eng. to bind), on. binda, got. bindan “binden”. Van den idg. wortel bhendh- “binden”, waarvan buiten ʼt Germ.: ier. buinne “band”, lat. offendimentum “kinband aan de priestermuts”, gr. peĩsma ”band, touw”, pentherós “schoonvader”, thrac. bend- ”binden”, lit. beñdras “deelgenoot”, oi. badhnā́ti “hij bindt”. Vgl. band, bint, bond, bundel. Zie nog beun.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

binden o.w., in de oudere Germ. talen bindan, in de nieuwere binden: Germ. wrt. bend + Idg. wrt. bhendh: Skr. wrt. bandh, Gr. peĩsma = band, d.i. *bhenthma, Lit. beñdras = deelgenoot, Lat. of-fendimentum = touw, Oier. buinne = band.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

binden: een hangmat binden (bond, heeft gebonden), een hangmat ophangen. Plantageheren nodigden de blanken uit aan hun tafels, slaap- en badkamers mochten gebruikt worden; waren er niet veel bedden, dan mocht de gast altijd zijn hangmat binden, binnen of als hij dat verkoos, overdag buiten in de schaduw van een paar grote bomen (McLeod 1987 in ’Hoe duur was de suiker?’, p. 57; P’bo, Vaco).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Binden van den Idg. wt. bhendh (Skr. bandh) = boeien, vastmaken. Er zijn vele verwanten: band, bundel, bond, bondig, bint enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

binden ‘met touw vastmaken’ -> Jakartaans-Maleis binder, ngebinder ‘een boek inbinden’; Javaans dialect bèndheng ‘doorverbinden (van kabels)’; Negerhollands bind, bint, bin, bēn ‘met touw vastmaken’; Berbice-Nederlands bendi ‘met touw vastmaken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

binden* met touw vastmaken 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1103. De kat bij 't spek zetten,

iemand in de verleiding brengen, hem gelegenheid geven om kwaad te doen; ook zich wetens schade berokkenen, den vijand in huis halen. Hiernaast vroeger de kat de boter of de zoete melk bevelen; de kat de kaas betrouwen; de kat in de schapraai (of in de spinde) sluiten (Zuidndl.). Zie Harrebomée I, 385: Dat is de kat bij 't spek gezet; Prinsen, Bredero, 120: Aan dit onechte Moortje (Writsart) draagt Mooy Ael de bijzondere zorg voor Katrijntje op. De kat bij het spek dus; Haagsche Post, 8 Juni 1918, p. 681 k. 4: Overigens is de vraag gewettigd, hoe iemand, die zooveel op zijn kerfstok heeft als die persoon in kwestie, korporaal in het Nederlandsche leger kan worden of blijven, en verder hoe iemand met dergelijke antecedenten juist aan onze ‘frontières menacées’ werd geplaatst: dat is toch de kat op het spek binden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut