Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

billijk - (redelijk, rechtvaardig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

billijk bn. ‘redelijk, rechtvaardig’
Mnl. billike (als bw.) ‘naar recht en billijkheid’ [1300; CG I, 2773].
Mnd. billik, bilk ‘passend, rechtvaardig’; ohd. billīh ‘passend’ (mhd. billich ‘passend, redelijk’; nhd. billig ‘goedkoop’); nfri. billik, binlik; < pgm. *bil-, dat wrsch. ‘passend, rechtvaardig’ betekent.
De stam *bil- komt verder nog voor in enkele samenstellingen: nnl. (gewestelijk) beeldwit ‘slaapwandelaar(ster)’ (Dale 1992) uit mnl. beelwitte [1484; MNW], belewitte, beluwitte (oorspr.) ‘goede geest; elf, kobold’; mhd. bil(e)wiz ‘kobold’, unbilde ‘onbillijkheid’. Voorts zijn verwant os. bili-wit ‘gelijkmoedig, mild’ en oe. bilewit ‘genadig, onschuldig, goed’; zie ook → beeld.
Verdere herkomst onzeker. Verwantschap met Grieks phílos ‘eigen, verwant; lief, geliefd’ of met Middeliers bil ‘goed’ < pie. *bhili- ‘gelijkmatig, passend, goed, vriendelijk’ (IEW 153) is onwaarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

billijk* [rechtvaardig] {billijc 1300} middelnederduits, oudhoogduits billīch voor het eerste lid werd vroeger vaak verwezen naar grieks philos, dat echter oorspronkelijk ‘eigen, niet vreemd’ betekende → beeldwit.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

billijk bnw., mnl. billijc, billic, bilc ‘rechtmatig, billijk’, mnd. billich, bilk, ohd. billīch ‘billijk, rechtmatig’. Het woord bil komt nog voor in de samenstelling mnl. beelwitte, belewitte, beluwitte ‘elf, kobold’, mhd. bil(e)wiʒ, ‘kobold, goede geest’. Misschien ligt de nadruk op de goede eigenschappen om de geesten gunstig te stemmen, vgl. oe. bilewit ‘onschuldig, goed’ en mhd. unbilde ‘onbillijkheid’. Formeel is te vergelijken on. bil ‘oponthoud; tijd, ogenblik; zwakke plaats’, ohd. bil ‘ogenblik waarop het gejaagde wild zich gaat verdedigen’.

De etymologie is onzeker. Men kan vergelijken oiers bil ‘goed’, gr. phílos ‘lief’ (IEW 153). Daarentegen A. Wolf, SSUF 1928-30, 17-156 bij faer. bilsen ‘verrast’, en verder zw. dial. bele ‘langzame, moeilijke arbeid’, bela ‘zwaar werken’, nde. dial. bile ‘voortdurend werken’; de grondbetekenis zou zijn geweest ‘bovennatuurlijke kracht’, vgl. nog on. Bil als naam van een godin. — Voor andere verklaringen zie AEW 36.

billijk [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 230 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

billijk bnw., mnl. billijc, bil(li)c “rechtmatig, billijk”. = ohd (11. eeuw) billîcħ “billijk, rechtmatig” (nhd. billig), mnd. billich, bilk “id.”. Hetzelfde bil- ook in mnl. beelwitte, bēlewitte, bēluwite “elf, kobold” (oorspr. van goede elfen gebruikt), mhd. bil(e)wiʒ m. “id.”, ags. bilewit bnw. “onschuldig, goed”, mhd. (zelden) unbil “onbillijk”, unbilde o. “onbillijkheid”; hierbij wsch. ook on. bil o. “tijdstip, tijd” en mhd. wîchbilde (nhd. weichbild), mnd. wîkbel(e)de, wîkbil(e)de o. “stadsgebied, stadsrecht” (de laatste bet. is wsch. de oudste). Buiten het Germ. vgl. ier. bil “goed”, gall. Bil-caisio eigennaam, gr. phílos “lief”. Vgl. beeld.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

billijk bijv., Mnl. billic + Ndd. bilk, Ohd. billîch (Nhd. billig); verder Mhd. unbil = onbillijk, Mnl. belewitte, Ags. bilewit, Nhd. bilewi; = goed, Hgd. weichbild = stadsgebied + Gr. phílos = bemind, Oier. bil = goed.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

billig, bn.: goedkoop. D. billig ’goedkoop’. Hetzelfde woord als Ndl. billijk ‘rechtvaardig, redelijk’. Wat voor een redelijke prijs verkocht wordt, is goedkoop. Het grondwoord is *bil ‘goed, onschuldig’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1billik b.nw.
1. Regverdig. 2. Regmatig. 3. Redelik. 4. Taamlik goedkoop.
Uit Ndl. billijk (ongeveer 1635 in bet. 1, 1782 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. billig (11de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

billijk ‘goedkoop’ (Duits billig)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

billijk

In de betekenis van ‘goedkoop’ wordt billijk bijna door iedereen als een germanisme (D. ‘billig’) beschouwd. Slechts de vertaalwoordenboeken Van Gelderen en Jansonius maken er geen bezwaar tegen:

‘Autoreparatie vakkundig snel en billijk.’ (Het Parool, 11.10.72, p. 27)
‘Omlijstingen, artistiek en billijk.’ (De Telegraaf, 8.10.72, p. 16)

Reeds aan het begin van de eeuw werd tegen dit gebruik gewaarschuwd. Nochtans komt het in de reclametaal nog steeds voor: zo leest men vaak ‘billijke prijzen’ en in dit geval liggen de germanistische betekenis (‘goedkoop’) en de Nederlandse betekenis van billijk (‘redelijk’) zeer dicht bij elkaar. Het is dus niet verwonderlijk dat de grens hier soms vervaagt en billijk (meestal predikatief gebruikt) ook op de aangeboden waar wordt toegepast. Dit betekent echter geenszins dat billijk (‘goedkoop’) reeds ingeburgerd zou zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

billijk ‘rechtvaardig’ -> Deens billig ‘goedkoop’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors billig ‘redelijk; goedkoop’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds billig ‘goedkoop, voordelig’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands billig ‘rechtvaardig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

billijk* rechtvaardig 1300 [CG I4, 2773]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut