Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bikken - (hakken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bikken 1 ww. ‘hakken’
Mnl. bicken ‘aanvallen’ [1248-1316; MNW], ‘houwen, steken, pikken (van vogels)’ [1400-50; MNW].
Klanknabootsend woord als variant van → pikken. De betekenis ‘bikkend eten’ heeft zich apart ontwikkeld tot → bikken 2 ‘eten’.
Mnd. bicken ‘behouwen, pikken, slaan’; ohd. anabicken ‘aanvallen’ (mhd. bicken ‘steken, pikken, slaan’; nhd. picken ‘pikken’); nfri. bikje, bikke; als zn. ofri. bitse- ‘pikhouweel, hak’.

EWN: bikken 1 ww. 'hakken'; de betekenis 'hakken' (1400-50)
ANTEDATERING: Met bicken, met delven 'met hakken, met graven' [1350-1400; MNW-R])
{De eerste attestatie in het EWN moet de volgende datering hebben: [1317-25; iMNW].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bikken1* [hakken] {bicken 1401-1450} middelnederduits bicken [idem], oudhoogduits bicchen [steken naar], nederlands bik, middelnederlands, middelnederduits, middelhoogduits bicke, oudengels becca [instrument om te hakken]; buiten het germ. latijn beccus [snavel] (uit het gallisch), oudiers bongid [breken], oudindisch bhanakti [hij breekt], armeens bekanem [ik breek]; het is niet duidelijk of de germ. vormen oerverwant zijn met latijn beccus dan wel eraan zijn ontleend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bikken 1 ww., mnl. bicken ‘houwen, steken, pikken’, mnd. bicken, ‘kloppen, bikken, steken’, ohd. bicchen ‘steken naar, aanvallen’, mhd. bicken ‘slaan, steken, bikken’. Vgl. verder mnl. bicke, mnd. bicke, mhd. bicke, oe. becca ‘hak- en klopgereedschap’. — Idg. wt. *bheg ‘stukslaan’, vgl. oi. bhanakti ‘breken’, oiers bongid ‘breken, oogsten, overwinnen’ en zie verder: bonken en beek.

Of de -kk- op een idg. g-n teruggaat is misschien twijfelachtig; in elk geval heeft het ww. een sterk affectief karakter. Opmerkelijk zijn althans de rijmende woorden pikken en tikken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bikken ww., mnl. bicken “houwen, steken, aanvallen, pikken”. In mnl. becken “pikken” zijn dit ww. en een afl. van bek samengevallen. = ohd. bicchen “steken naar, aanvallen”, mhd. bicken (bëcken), mnd. bicken “kloppen, bikken, steken”. Hierbij mnl. bicke v., Kil. (nog zuidndl. dial.) bickel, mhd. bicke m., bickel m. (beide nog nhd., ook met p), mnd. bicke, ags. bëcca m., benamingen voor verschillende hak-, klop- en steekwerktuigen. Vgl. ook laat-on. bjaxi m. “een bijnaam”, noorw. dial. bikse, pikse, bjakse “pin”. Als de e-vocaal de oudste is (de i is dan voor ı-, j-formantia ontstaan: wgerm. *bikkian, maar *bekkôn), kan germ. ƀekk- op idg. bheg-n- teruggaan. Vgl. dan oi. bhanákti “hij breekt”; zie beek. Vgl. nog pikken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bikken. Het mnl. woord, dat in het begin van het art. voor een afl. van bek wordt gehouden, luidt bicken, becken en betekent ‘pikken’. Deze bet. laat zich zeer goed uit ‘(met de snavel) houwen, steken’ afleiden, terwijl verder associatie met mnl. picken in het spel is. Het is daarom beter in dit mnl. bicken = nnl. bikken ‘eten’ geen afzonderlijk woord te zien.
Over de herleiding van een germ. *bekk- op idg. *bheg-n- zie bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bikken 1 o.w. (hakken), Mnl. bicken + Ohd. bicchen (Mhd. bicken), Eng. bick-iron + Fr. bêche en bec: z. bek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bikken ‘hakken’ -> Frans dialect bikiot ‘klein puntig voorwerp’; Papiaments bek ‘(stenen) hakken, uitbikken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bikken* hakken 1401-1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal