Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bikkel - (speelsteentje; bikhouweel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bikkel zn. ‘speelsteentje’
Mnl. pickel, peckel ‘poot van een stuk huisraad, bikkel, koot’ [1504; MNW], bickelsteen ‘bikkelsteen, bikkel’ en het werkwoord bickelen ‘met bikkelstenen spelen’ [eind 14e eeuw; MNHWS]; vnnl. bickelen oft pickelen of hilteken in ouibus (mv.) ‘kootbeentjes van een schapenpoot, als speelgoed’ [1567; Nomenclator]. Kil. 1599 geeft een uitgebreide beschrijving: bickel, pickel ‘schapenbotje, bikkel, koot, dobbelsteentje’, bickel, bickel-steenken ‘steentje, steenschilfer’, bickel ‘graveernaald, pikhouweel, beitel’, bickelken ‘puntig steentje’. Daarnaast West-Vlaams pikkel, pekkel ‘bikkel’ (Bo 1892); Maastrichts bikkel ‘pikhouweel’ (Endepols 1955).
Het woord is nauw verwant met → bikken 1 ‘(af)hakken’. Wrsch. is het een afleiding met -el van dit werkwoord (zie → druppel).
Mnd. bickel ‘schapenbotje, dobbelsteen, vangsteen’ (gebruikt bij het Datschelspiel, een spel waarbij een kind met één hand twee stenen opgooit en weer opvangt), bickelstein ‘steentje, dobbelsteen, vangsteen’; mhd. bickelstein ‘dobbelsteen, vangsteen’; nfri. bikkel.
Bikkelen was in deze contreien aanvankelijk een dobbelspel voor mannen; in de 16e eeuw werd het een meisjesbezigheid. Het spel zelf is al heel oud en was in de Oudheid vooral in Griekenland en Zuid-Italië geliefd. Wrsch. is het spel niet alleen in heel Europa, maar ook in Azië bekend geweest. Men dobbelde met vier tali; een talus was een (oorspr. uit het hielbotje van bepaalde dieren gemaakte) langwerpige dobbelsteen, aan de uiteinden afgerond, met vier gemerkte vlakken. Als bij de Grieken en Romeinen vier verschillende vlakken boven lagen (de zogenaamde Venusworp) won men de pot. In de Nederlanden werd het meisjesspel anders gespeeld: vier bikkels moesten met één hand geraapt, gekanteld of gekeerd worden tijdens het opwerpen en vangen van een → bonk (bal of stuiter).
Lit.: K. Kooiman (1959) ‘Koten, bikkels en misverstanden’, in: NTg 52, 254 e.v.; H. Endepols (1955) Diksjenaer van 't Mestreechs, Maastricht

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bikkel* [pikhouweel] {bickel 1574} van bikken1 + achtervoegsel el, vgl. beitel, drevel etc.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bikkel znw. m., vgl. mnl. bichelen ‘spelen met bickelstenen’. Kiliaen noemt bickel in de betekenis van ‘steen om mee te spelen, dobbelsteen; afgespleten stukje steen’, mnd. bickel ‘bikkel, dobbelsteen’, bickelstēn ook ‘afgeslagen steengruis’, mhd. bickelstein ‘dobbelsteen, bikkel’ (nhd. bickel ‘knikker’). — Afl. van bikken.

Dat ook het oudfrank. een woord bikkil kende, blijkt daaruit, dat het in het fra. overgenomen is als bille ‘kogel, biljartbal’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bikkel znw., mnl. reeds bickelen “met bikkels spelen”, bickelsteen m. “bikkel”. Kil. kent behalve het bij bikken genoemde bickel: 1. bickel, pickel “talus”, ook “talus lusorius”, 2. bickel, bickelsteenken (“vetus”) “Petrae mica, petrae fragmentum quod scalpendo desilit, assula, segmen, segmentum”. Ook dit tweede woord bestaat dial. nog (ook = “kiezel”), in verschillende streken in den vorm biggel: zie biggelen. In den grond zijn beide woorden identisch en hooren bij bikken “houwen”. Evenzoo mhd. bickelstein m., “dobbelsteen, bikkel” (nhd. dial. bickel m. “knikker”), mnd. bickel m. “bikkel, dobbelsteen”, bickelstên m. “id., afgeslagen steengruis”. Wellicht is de samenstelling bickelstên, die zoowel op ndl. als op hd. gebied eerder voorkomt dan bickel, inderdaad ook ouder. Het eerste lid is dan de stam van het frequentativum bickelen (vgl. ook mnl. bickelaer m. = bicker m. “steenhouwer”, os. stên bik(k)il m. “steenhouwer”) en de oorspr. bet. zou wezen “bik-steen, houw-steen”, d.w.z. “steen, die bebikt of afgebikt wordt”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bikkel m., + Hgd. bickel, is een afleid. van bikken, dus = 1. werktuig om te bikken, 2. bikkel uit koot, 3. koot en beenen voorwerp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bikkel (zn.) pikhouweel; Nuinederlands bickel <1567>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pikkel 3, zn.: bikkel (speelgoed). Wvl. pekkel. Mnl. pickel, peckel ‘bikkel, koot’, bickelen ‘met bikkelstenen spelen’. Van Mnl. ww. bicken, becken ‘bikken, houwen’, Mnd. bicken ‘hakken’, Ohd. bicchen ‘steken naar’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

pikkel 3 zn. m.: bikkel (speelgoed). Wvl. pekkel. Mnl. pickel, peckel ‘bikkel, koot’, bickelen ‘met bikkelstenen spelen’. Van Mnl. ww. bicken, becken ‘bikken, houwen’, Mnd. bicken ‘hakken’, Ohd. bicchen ‘steken naar’. Afl. ww. pikkelen ‘bikkelen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

pikkel 3 (A, B, G, W, ZO, ZV), zn. m.: bikkel (speelgoed). Wvl. pekkel. Mnl. pickel, peckel 'bikkel, koot', bickelen 'met bikkelstenen spelen'. Van Mnl. ww. bicken, becken 'bikken, houwen', Mnd. bicken 'hakken', Ohd. bicchen 'steken naar'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

pekkel 2, zn. m.: bikkel (speelgoed). Mnl. pickel, peckel ‘bikkel, koot’, bickelen ‘met bikkelstenen spelen’. Van Mnl. ww. bicken, becken ‘bikken, houwen’, Mnd. bicken ‘hakken’, Ohd. bicchen ‘steken naar’.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

biegel. De verwensing lik, lek mijn biegel! komt voor in Achel en drukt woede, frustratie en minachting uit. De letterlijke betekenis van biggel of biegel is ‘kiezelsteen’. Er is niet veel fantasie voor nodig om hier een overdrachtelijke betekenis te veronderstellen. Ik veronderstel dat biegel dan staat voor ‘achterwerk’ of ‘testikels’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bikkel ‘sprongbeentje gebruikt om mee te spelen’ -> Deens bikkel, bikkelspil ‘behendigheidsspel, gespeeld door Nederlandse immigranten op Amager’; Noors dialect bikkel ‘deurpen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans bille ‘knikker, balletje’ Frankisch; Jakartaans-Maleis bèkel ‘balletje in het bikkelspel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bikkel* pikhouweel 1567 [Claes Tw. 12]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal