Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijzonder - bn., (ongewoon; zeer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bijzonder bn., bw. ‘ongewoon; zeer’
Mnl. besondren (bw.) ‘afzonderlijk’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], besonder (bw.) [1285; CG II, Rijmb.], bisonder (bw.) ‘in het bijzonder’ [1299; CG I, 2673], (bn.) ‘afzonderlijk’ [1450-1500; MNW]; vnnl. bysonder (bw.) ‘speciaal, in het bijzonder’ [1552; Apherdianus], besonder (bn.) ‘voortreffelijk’ [1556; Dasypodius], bezondere (bn.) ‘afzonderlijk’ [1642; WNT].
Gevormd uit bi-, zie → be-, en sonder ‘zonder, behalve’, zie → zonder. Het woord heeft vanouds een breed betekenisveld; de huidige betekenis ‘ongewoon, opmerkelijk’ bestaat sinds 1726 (WNT).
Mnd. besünder, bisünderen, besonder(s) ‘vooral, uitgezonderd; (vgw.) maar’, besünder, bisünder (bn.) ‘eigenaardig, vreemd’; mhd. besunder (bw.) ‘vooral, voortreffelijk’ (nhd. besonders), besunder (bn.) ‘eigenaardig, buitengewoon, voornaam’ [14e eeuw]); ofri. bisunderga (bw.) ‘in het bijzonder’ (nfri. bysûnder, bysonder).
De -i- in het zwak geaccentueerde voorvoegsel is in het Middelnederlands, Middelnederduits en Middelhoogduits al verzwakt. De Hollandse attestaties uit de 17e en 18e eeuw hebben alleen nog besonder, bezonder. De /i/ van het tegenwoordige bijzonder is geen relict van een niet gediftongeerde oude /ī/, maar een gevolg van het ontstaan van een secundaire bijtoon in de eerste lettergreep. De huidige -ij-spelling reflecteert een verkeerde etymologie. De diftongische uitspraak /ij/ in Oost-Vlaanderen wijst op een spellingsuitspraak.
Lit.: Heeroma 1960, 202; Philippa 1992b

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bijzonder* [speciaal, opmerkelijk] {bisonder [in het bijzonder, vooral, afzonderlijk] 1260-1280} van middelnederlands bi + sonder [zonder, behalve (zowel uitsluitend als insluitend), bijzonder, vooral, zeldzaam].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bijzonder bnw., mnl. besonder, bisonder bijw. ‘afzonderlijk, bijzonder’, mnd. besünder(n), besonder(n), bisünderen bijw. en voegw. (in het laatste geval ‘maar’ (= nhd. ‘sondern’), mhd. besunder, sedert de 14de eeuw ook als bnw. voorkomend, ofri. bisunderga ‘in het bijzonder’. — Samenstelling van het voorvoegsel bij en zonder.

Voor de opvallende uitspraak biezonder ondanks de vroege klinkerverzwakking van bī- tot bǝ-, zie een poging tot verklaring Heeroma Ts. 77, 1959-60, 187-202.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bijzonder bnw. Beschaafde uitspr. bi-, dial. bǝ- en in de noordelijke provincies bi- (wellicht is hier de uitspraak nooit inheemsch geweest). In ʼt Mnl. komt besonder, bisonder nog slechts als bijw. = “afzonderlijk, bijzonder, in ʼt bijzonder” voor, evenzoo mnd. besunder; mhd. besunder, ospr. bijw. (nhd. besonders), komt sedert de 14. eeuw, in ʼt eerst zelden, ook als bnw. voor (nhd. besonder). In ʼt Ofri. bisunderga “in ʼt bijzonder”. Uit be- resp. bi “bij” + zonder.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bijzonder. Mnd. besünder(n) -sonder(n), bîsünderen is behalve bijw. ook voegw. = ‘maar’ (‘sondern’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bijzonder bijv., Mnl. bisonder, besonder + Mhd. besunder (Nhd. besonder), is eigenl. een adverb. uitdrukking, saamgesteld met voorz. bij en een zelfst.nw. dat Ohd. is sundera = afzondering, een afleid. van zonder (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

besonders: bw., “afsonderlik, apart”; Scho (TWK/NR 7, 1, p. 29) gee sitate uit Wik v. gebr. in hierdie bet. wat nog in Ndl. dial. voorkom, maar in Ndl. AB veroud. is, en merk op: “vorm met -s ... uit Ndl. bronne nie bekend nie”. By vRieb dikw. niet sonders, enkele male niet notabels en ook niet sonderlingh wat almal = Afr. niks besonders en dus nie adv. nie, maar sulke vorme kon adv. vorme met -s in die hand gewerk het en die volgende uit ’n brief van Jan Woutersse (Okt. 1654) aan vRieb kom daar digby: “niet besonders veel sal cunnen uytgerecht worden”.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Besonders bnw., bw., afsonderlik, apart. Nie algemeen in Afrikaans nie. – Volgens die Ndl. Wdb. II. 2679, is Ndl. biezonder in bowegenoemde betekenis sinds die 18de eeu in die literatuurtaal verouderd. In die volksmond in Sliedrecht is dit egter nog baie gewoon (persoonlike waarneming).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zonderbaar is letterlijk: wat zich zonder of alleen draagt, voordoet, dus: iets zeldzaams, vreemds, wonderlijks, evenals zonderling: een wonderlijk persoon; dit zonderling bet. vroeger: bijzonder. Vgl. ’t Mnl.: „Hi quam enen sonderlinghen pat” = een afzonderlijk, bijzonder pad. Dit bijzonder staat voor: bi of bij sonder, waarin zonder als z.n.w. afzondering bet.; het woord w.d.z.: bij afzondering, en dus: in ’t oog vallend; bijv.: hij is bijzonder blij.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bijzonder, bijzonderlijk ‘speciaal, opmerkelijk’ -> Deens besynderlig ‘speciaal, opmerkelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors besynderlig ‘vreemd, eigenaardig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds besynnerlig ‘eigenaardig, merkwaardig, wonderlijk, vreemd’ (uit Nederlands of Nederduits); Petjoh bie ‘speciaal, opmerkelijk’; Negerhollands buijsonder, besonders ‘speciaal, opmerkelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bijzonder* speciaal, opmerkelijk 1260-1280 [CG II1 Wrake R.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut