Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijwoord - (adverbium)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bijwoord zn. ‘adverbium’
Mnl. byword ‘spreekwoord’ [1400; Man], ‘woord dat niet terzake doet’ [15e eeuw; MNW], ‘spreekwoord, parabel, gelijkheid’ [1477; Teuth.], maar ook al de moderne grammaticale betekenis: adverbium, eyn bywoirt of an en woirde clevende ‘adverbium, een bijwoord of aan een woord plakkende’ [1477; Teuth]; vnnl. bywóórd ‘adverbium’ [1584; Twe-spraack].
Gevormd uit → bij 1 en → woord, ‘woord’ maar ook ‘werkwoord’, dus letterlijk ‘bij-woord’ en ‘bij-werkwoord’. Als grammaticale term is het een leenvertaling van Latijn adverbium, dat gevormd is uit → ad- ‘bij’ en het zn. verbum ‘woord, werkwoord’, dus ‘bij een werkwoord behorend woord’ (de -i- in -verbium wijst erop dat het hier om een afleiding gaat.). Latijn adverbium is een leenvertaling van Grieks epírrhēma, dat gevormd is uit epí- ‘op, bij’ en rhẽma ‘werkwoord’. Latijn verbum en Grieks rhẽma zijn beide verwant met → woord).
Mnd. biwort ‘spreekwoord’; mhd. biwort ‘spreekwoord, adverbium’; nfri. bywurd; oe. bīword ‘spreekwoord, adverbium’ (ne. byword ‘spreekwoord; bijnaam’).
De eerste termen die gebruikt werden om adverbium te vertalen waren toedadich woort en bywervich woort [1568; Radermacher]. Naast bijwoord bleef de Latijnse term in gebruik, en ook de vernederlandste vorm, bijv. adverbien (mv.) [1646; Ruijsendaal 1989].
Lit.: D. de Groot (1872) Nederlandsche spraakkunst, Groningen/Arnhem; J. Radermacher ‘Voorreden vanden noodich ende nutticheit der Nederduytscher taelkunde’ in: K. Bostoen Kaars en bril: de oudste Nederlandse grammatica, Middelburg 1985; G. Dibbets (1995) De woordsoorten in de Nederlandse triviumgrammatica, Amsterdam/Münster, 291; L. de Man (1964) Middeleeuwse systematische glossaria, Brussel; Ruijsendaal 1989

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bijwoord* [adverbium] {bywoirt 1477} van bij1 + woord1 als vertalende ontlening aan latijn adverbium, vertalende ontlening aan grieks epirrèma [dat wat naderhand wordt gezegd], van epi + rèsis [het spreken] + retorica.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bijwoord znw. o., mnl. bîwort, mnd. mhd. bīwort, oe. bīword betekent ‘exemplum’. De betekenis ‘adverbium’ vinden wij echter ook reeds in oe. bīword en nd. bywoirt (Theutonista), en is dan ontstaan als grammatikale term naar het lat. woord.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† bijwoord znw. o., bij Kil. alleen in de bet. ‘proverbium’, die ook aan mnl. bîwort (d), mnd. mhd. bîwort o., ags. bîword o. (eng. byword) eigen is. Ags. bîword ook = ‘adverbium’, evenzo Teuth. bywoirt. Nhd. beiwort o. = ‘adjectivum’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bijwoord (vert. van Latijn adverbium of verouderd Duits Zuwort)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bijwoord ‘adverbium’ -> Duits Beiwort ‘adjectief, epitheton’; Japans fushi ‘adverbium, lett. bijwoord’; Chinees fuci ‘adverbium’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bijwoord* adverbium 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut