Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijvoet - (Artemisia vulgaris)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bijvoet zn. ‘geneeskrachtige plant (Artemisia vulgaris)’
Mnl. biuoet [1240; Bern.], bíwot [1250; CG II, Gen.rec.]; vnnl. byuoet [1552; Apherdianus].
Ontleend aan Laat-Oudsaksisch bīvōt, of waarschijnlijker zelfstandig in het Nederlands gevormd uit → be- en een afleiding van pgm. *bautan- ‘slaan, stoten’, zie → beat.
Laat-os. bīvōt (mnd. bibot, bifot); ohd. bībōz, pīpōz (vnhd. peipus, bivuoz; nhd. Beifuß); nfri. byfoet, bijefoet.
Het slaan of stoten kan verband houden met het fijnstampen van het kruid; niet wrsch. is de verklaring dat het kruid demonen moest afstoten (NEW). De vormen in het Duits en Nederlands met intervocalische -v- zijn volksetymologische vervormingen door associatie met → voet: bijvoet is een oud geneeskrachtig kruid en Plinius vertelt al dat men veilig reist en niet vermoeid raakt als men het kruid aan zijn been bevestigt of in zijn schoen steekt, bij de voet dus.
Lit.: Dodonaeus 1554

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bijvoet* [plant] {bivoet 1226-1250} oudsaksisch bīvōt, oudhoogduits bībōz, pīpōz, het tweede lid daarvan uit oudhoogduits bōzzan [stoten], vermoedelijk in de zin van ‘afweren van boze geesten’; bijvoet is een volksetymologische vorming. Plinius had verklaard, dat als men het kruid op zijn been bindt, men op reis niet vermoeid raakt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bijvoet znw. m., mnl. bîvoet, laat-os. bīvōt, mnd. bīfōt, mnd. bīvuoz (sedert de 14de eeuw), nhd. beifusz is een volksetymologische vervorming van het mnd. bībōt, ohd. mhd. bībōẓ‘artemisia vulgaris’. Men stelt de laatste vormen bij het germ. ww. *bautan ‘stoten’, waarvoor zie: aanbeeld, maar dan niet, omdat de plant als kruiderij in de spijzen gestoten of gestampt werd (dit is een laat en lokaal gebruik), maar eerder, omdat men er de kracht aan toe schreef de geesten af te weren. De bijvoet is een oud geneeskruid en het antieke geloof was (reeds door Plinius medegedeeld), dat men op reis niet vermoeid werd, wanneer men zich de artemisia aan het been bevestigde; dat leidde dan ook tot de vervorming tot bij-voet.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bijvoet (artemisia), mnl. bîvoet m. = ohd. (11e eeuw) bivoʒ, bivuʒ, mhd. bîvuoʒ (nhd. beifuss) m., laat-os. bîvôt m. Wordt als volksetymologische vervorming van ohd., mhd. bîbôʒ m., mnd. bîbôt “bijvoet, artemisia” verklaard. Dit wordt wel als “hetgeen als specerij aan de spijzen aangeslagen, er in of er bij gestampt moet worden” opgevat en bij ohd. bôʒan (zie aanbeeld) gebracht; onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bijvoet m., Mnl. bivoet, Os. bîvôt + Ohd. bîfuoʒ (Mhd. id., Nhd. beifusz): de naam berust op het oude volksgeloof dat wie bijvoet in zijn schoenen deed, niet moede werd. Ohd. bîbôʒ, Mndd. bîbôt, die bij bautan, (z. aanbeeld) behooren, zouden volksetymologie zijn, onder de opvatting: wat als kruiderij bij de spijzen gestampt wordt.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

bijvoet
Artemisia vulgaris L.

De naam Bijvoet is uiteindelijk afgeleid van de Middelhoogduitse naam biboz voor deze plant en heeft oorspronkelijk met het begrip voet niets te zien. In de jaren 1200 werd de Duitse naam biboz omgevormd naar bivot en vandaar naar Beifuss. Dat die naam iets met voeten te zien had, werd gemakkelijk aangenomen omdat de invloedrijke Plinius de Oudere (23-79) in zijn boek Naturalis Historiae (eerste eeuw na Christus) beschreven had dat met een aan het been (“bij de voet”) vastgebonden Artemisia-plant bij het marcheren de vermoeidheid en pijnlijke voeten vermeden worden. In het in 1542 verschenen kruidenboek De Historia Stirpium Commentarii Insignes van Leonhart Fuchs (1501-1566) treffen we de schrijfwijze Beyfuss aan. Vanuit die Duitse naam is de oorsprong van het Nederlandse Bijvoet gemakkelijk verklaard.
Het bijgeloof over de heilzame invloed van Bijvoet heeft lang bestaan. In 1656 schreef de Engelsman William Coles (1626-1662), botanist, herborist en arts in zijn boek The Art of Simpling over de Bijvoet: “Als een soldaat van het voetvolk ’s morgens Bijvoet in zijn schoenen legt, kan hij voor de middag 40 mijl lopen zonder vermoeid te zijn.”

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Bijvoet, Artemisia vulgaris
Artemisia: over de woordafleiding van artemisia bestaat allerminst overeenstemming. Hieronder een aantal opvattingen:
de naam stamt af van het Griekse artemes: gezond, fris, vanwege het geneeskundig gebruik.
Artemisia naar de godin van de geboorten en van de vrouw genaamd Artemis. Zij wordt vereenzelvigd met de eveneens Griekse godin Ilihyia, beschermster van de kraamvrouwen. De plant werd namelijk aangewend bij vrouwenziekten en geboorten.
Men beweert dat de plant is genoemd naar Artemisia, echtgenote van koning Mausolus van Carie te Halicarnassus, die voor haar man in 353 voor Chr. een mausoleum liet oprichten. Zij zou het kruid veelvuldig gebruikt hebben.
Vulgaris: de plant is algemeen, of was vroeger algemeen.
Bijvoet: De Nederlandse naam Bijvoet komt van het verhaal of bijgeloof dat bijvoet in de schoenen gedaan of aan de voeten gebonden, het moe worden voorkomt.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Artemisia | Artemísia vulgáris: Bijvoet
Omtrent de woordafleiding van artemisia bestaat allerminst overeenstemming. We laten hieronder de opvattingen volgen.
1. De naam stamt af van het Griekse artemes: gezond, fris, vanwege het geneeskundig gebruik.
2. Artemisia naar de godin van de geboorten en van de vrouwen genaamd Artemis. Zij wordt vereenzelvigd met de eveneens Griekse godin Ilithyia, beschermster der kraamvrouwen. De plant werd namelijk aangewend bij vrouwenziekten en geboorten.
3. Men beweert dat de plant is genoemd naar Artemisia, echtgenote van koning Mausolus van Carië te Halicarnassus, die voor haar man in 353 voor Chr. een mausoleum liet oprichten. Zij zou het kruid veelvuldig gebruikt hebben.
Volgens ons is de eerste uitleg waarschijnlijk wel de beste, mede omdat het de meest eenvoudige is.
De naam Bijvoet heeft zeer oude papieren, want we vinden de plant als Bipoz reeds bij Hildegard von Bingen (1098-1179) vermeld. Konrad von Megenberg (1309-74) noemt de plant Beipoz en voegt er aan toe ‘wer es an die pain bind, es denem den wegraisern ir miied.’ Maar hij sprak tevens zijn ongeloof hierover uit. Ook O. Brunfels (1512) schreef aan die praatjes niet te willen meedoen. Dit verhaal, of moeten we spreken van bijgeloof, dat Bijvoet, in de schoenen gedaan of aan de voeten gebonden, het moe worden voorkomt vinden we reeds bij Plinius (23-79 na Chr.) vermeld. Dat een dergelijk verhaaltje een lang leven kan hebben, bemerken we, wanneer we Dodonaeus (zeventiende eeuw) opslaan, die dit gebruik eveneens aanhaalt. Hij neemt echter geen stelling tegen de geloofwaardigheid van dit verhaal.
De Nederlandse naam Bijvoet wordt ook beschouwd als een verbastering van het Duitse Beifuss, dat weer ontstaan zou zijn uit het genoemde Oudduitse Bipoz of Biboz, dat verwant is aan anaboz - ambosy (vergelijk ons woord aanbeeld of aambeeld) en is af te leiden van een Germaans werkwoord boutan: stoten, en dat slaat op het gebruik het kruid fijn gestampt bij de spijzen te doen. Grimm deelt mede dat de naam afkomstig is van het Oudhoogduitse bozzan, dat eveneens stoten beduidt.
Bij Heukels vinden we voor de Overijselse Achterhoek de volgende namen opgegeven: Sint Jansblome, Sint Janswortel en Sint Janskruid. Deze namen wijzen op het oude gebruik om op Sint Jan (24 juni) kransen te vlechten en deze dan in huis of stal op te hangen ter afweer van blikseminslag. Ook spijkerde men de wortel van de plant tegen de muur om de duivel en andere boze geesten uit huis te bannen, of de behuizing tegen brand te vrijwaren. Een en ander steunt op een heidens gebruik, het zonnewendefeest, dat oudtijds eveneens omstreeks 24 juni gevierd werd. Men omgordde zich dan met dit kruid om tegen toverij beschut te zijn. Nadat de Sint Jansvuren tijdens dit feest waren ontstoken, wierp men de krans in het vuur. Een uitvloeisel van dit gebruik vinden we terug in het geloof dat lendepijnen verdwijnen zouden door de plant om de lendenen te binden. Men vindt dit nog in de vierde eeuw na Christus gemeld door Marcellus uit Burdi galia (Bordeaux), maar met de toevoeging dat men dan eerst de planten met de linkerhand uit de grond moest trekken, wilde men er het volle profijt van hebben. Dat dit gebruik wel lang in stand is gehouden, zouden we kunnen opmaken uit de naam Sint Jansgordel, die we bij L. Fuchs (1543) aantreffen. Of dit een echte Nederlandse volksnaam is, willen we betwijfelen. Want het in 1543 in onze taal verschenen boek Den nieuwen herbarius is een vertaling van het in hetzelfde jaar te Bazel verschenen Neu Kreuterbuch van dezelfde auteur. Dodonaeus (1608) geeft de Nederlandse naam niet, maar geeft wel de Duitse naam van die tijd: Sant Johans gurtell. In Duitsland kwamen vroeger nog de volgende namen voor: Bij J. Th. Tabernaemontanus (1588) Sonnewendgürtel, in 1477 Sunbentgürtel en nog enkele andere van dezelfde strekking. De plant stond namelijk in hoog aanzien bij de Germanen, Kelten en Slaven, als kruid dat gebruikt werd bij in barensnood verkerende vrouwen. Daarop duidt de passage bij Dodonaeus: ‘De eerste soorte van Bijvoet wordt van sommige “Mater herbarum”, dat is Moeder der cruyden ghenaemt.’ De naam Krabbeklootjes wordt door de Belg E. Paque als volgt verklaard: ‘De bloemhoofden hebben de vorm van bollekens of klootjes die in lange krabben gerangschikt staan en daarom noemt men dit kruid Krabbeklootjes.’
De naam Alsem, ook de Nederlandse benaming voor het geslacht Artemisia, slaat in hoofdzaak op de Absint-alsem (A. absinthium). De oudste vorm van alsem zal wel alseme geweest zijn. Later sprak men van Alsene en Alsen: de eerste naam treffen we aan bij Dodonaeus en de tweede bij Fuchs. Andere volksnamen zijn Als (Twente), Aals (Groningen), Aalst (Groningen, Oost-Drente en Waterland), en zijn als gewestelijke vormen te beschouwen. In het Oudhoogduits luidde de benaming Alahsan, oorspronkelijk alahsâmo, dat tempelzaad beduidt en afkomstig van alah: tempel, en samo: zaad. In het volksgeloof werd de plant tot de heilige kruiden gerekend.
Met de namen Bijvoetwortel en Sint Janswortel voor de Bijvoet zijn we bij het gebruik van de wortel in de geneeskunde aangeland. Zowel in de volksgeneeskunst als in de officiële geneeskunst werd de plant gebruikt. In de apotheek was de wortel van de plant bekend onder Radix Artimisiae. Vroeger werd de wortel veel voorgeschreven bij lichte gevallen van epilepsie of vallende ziekte, hysterie en krampen. De gemalen wortel, meende men, was ook goed tegen de hoest. Dat de wortel in de officiële geneeskunde nog lang in gebruik is gebleven, kunnen we opmaken uit het feit dat de wortel in de vorige eeuw nog in de Nederlandse Farmacopee opgenomen was. We kunnen wel zeggen, dat thans het aanwenden als geneeskruid geheel verdwenen is.
De eerdergenoemde krans, die men in het vuur wierp, werd ook wel van de wortels gemaakt en aan het verterende vuur geofferd. Door het verbranden van de wortel moesten tevens alle ziekten en kwalen verdreven zijn, geloofde men. De magie kwam hier wel even om de hoek kijken. Dat de Bijvoet voor nog andere doeleinden werd gebruikt blijkt uit het volgende. Legt een meisje het kruid onder haar hoofdkussen, dan zal zij van haar toekomstige man dromen. Verzamelt men de wortels op vier september, en legt men deze vervolgens onder de kussens, dan zullen de kiezen en tanden nooit meer pijn doen. Een nogal gemakkelijke opdracht zouden we zeggen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bijvoet ‘plant’ -> Frans dialect bibuef, bibeû ‘naam van verschillende planten’.

bijvoet ‘(verouderd) smeerrak, bekleed touw’ -> Russisch † bejfút ‘smeerrak, bekleed touw’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut