Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijster - (kwijt); (zeer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bijster bn. ‘kwijt’; bw. ‘zeer’
Mnl. bijsterlijc (bw.) ‘onzinnig, uitzinnig’ [1378; MNHWS], bijster ‘kwijt, verdwenen, weg’ [1380-1400; MNW-P], Men seit dat een mensche woet of raset, die sijnre sinnen bijster is ‘men zegt van een mens dat hij raast of tiert als hij zijn verstand kwijt is’ [1437; MNW-P], bijsterlicken (bw.) ‘op woeste wijze’ [1479; MNW-P], bijster ‘loslopend’ [1488; MNW], ‘buitensporig, buitengewoon’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. bijstier zijn ‘geheel beroofd of ontdaan zijn van zijn bezittingen’ [1562; Naembouck], bij-stier, bijster ‘van zijn bezittingen ontdaan, ontbloot, gebrekkig’ [1599; Kil.]. Als bijwoord van graad: vnnl. een bijster groot Boeck [1569; WNT], bijster ghequelt ‘zeer gepijnigd, geplaagd’ [1598; WNT]; nnl. vermaakten zich ... niet bijster ‘vermaakten zich niet erg’ [1866; WNT].
Afleiding van mnl. bisen ‘wild rondlopen (van vee), op een dwaalspoor raken, zwerven’ [ca. 1400; MNW], (nu alleen nog dialectisch biezen, bijzen, bizzen, bissen ‘wild rondlopen van vee’), mogelijk een afleiding van een zn. bijs, bies ‘bui, schommel’.
Mnd. bister ‘loslopend, verwilderd, vervallen, ontuchtig, ellendig, slecht’ (> nde. bister ‘grimmig, donker’, nzw. bister ‘nors, ruw’); nhd. dial. biester ‘donker, woest’; ofri. biuster-lik ‘verward, slecht’ (nfri. bjuster (bn.) ‘kwijt’, (bw.) ‘zeer’). Verwantschap met ne. boisterous, ouder boistous, ‘onstuimig’ valt niet te onderbouwen. Het bijbehorende werkwoord mnl. bisen heeft als cognaten: ohd. bisōn ‘wild rondlopen van vee’ (nhd. bisen); ozw. bisa ‘lopen’. Bij het zn. bijs horen nog: os. bisa ‘wervelwind’; ohd. bīsa ‘id.’; Midden-Frankisch bis ‘bui uit het noorden’.
Misschien horen deze woorden bij dezelfde pie. wortel als → beven. Het achtervoegsel -ter in bijster is niet duidelijk, mogelijk is er sprake van een achtervoegsel pie. *-ro dat diende ter vorming van bn. In dat geval is de -t- secundair ingevoegd.
Het bijwoord was in het Middelnederlands bijsterlijc ‘onzinnig, uitzinnig’, in het Vroegnieuwnederlands begon men bijster als bijwoord te gebruiken. De betekenis is van ‘heftig, onstuimig’ via werkwoordelijke combinaties als waren bijster ghequelt ‘waren ernstig geplaagd’ naar de nu algemene van ‘zeer’ gemoduleerd.
Lit.: A. de Jager (1878) Woordenboek der Frequentatieven in het Nederlandsch, Gouda, 25-32; F. Kluge (1926) Nominale Stammbildungslehre der altgermanischen Dialekte, Halle, 106; Schönfeld 1970, par. 167c; Weijnen 1996

EWN: bijster bn. 'kwijt'; bw. 'zeer' (1378)
ANTEDATERING: van een bysteren verken 'voor een loslopend varken' [1343-46; iMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bijster* [niet meer wetend] {1383 in de betekenis ‘rondlopend, verwilderd, verbijsterd’} van middelnederlands bisen (vgl. biezen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bijster [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: R. Goffin, ÉGerm 21, 478 [1966]: ‘l’auteur n’explique pas la présence du suffixe (s)ter’. Over het suffix zie F. Kluge, Stammbild.3 § 216 [1926].

bijster bnw., mnl. bijster ‘in het wild rondlopend, waanzinnig, woest, buitensporig’, mnd. bīster ‘in het wild rondlopend, verwilderd, vervallen, ontuchtig, ellendig, slecht’, ofri. biusterlik ‘verward, slecht’. — Het woord is afgeleid van mnl. bīsen ‘wild rondlopen, op een dwaalspoor zijn’ (van koeien gezegd bijzen WVla., bizzen, bizen Antw., birzen, Kempen, bizzen Limb., ONbrab., bietse, bitse Neder-Betuwe, bitse Bommelerwaard, bissen, bisen. Achterh. Twente, biezen, bissen, birzen, beerzen Drente, birzen, birzeln Gron. en fri. dial. biizje, met opvallende veranderingen, die wijzen op het affectieve karakter van het woord), mnd. bissen, bīsen, bēsen ‘onrustig ronddraven van koeien’, ohd. bī̆sōn, bī̆sēn ‘bronstig of onrustig ronddraven’. — Daarnaast staan ohd. bīsa (nhd. bise) ‘NOwind.’ en zuidnl., limb. geld. overijs. bis, bijs, bijze ‘bui, wind’.

Formeel is een afl. van een idg. *bhei ‘beven’ (die IEW echter niet vermeldt), vgl. oi. bhīṣā ‘uit vrees’, bhīsáyate ‘hij maakt bang’, mogelijk en wat de betekenis aangaat zou men kunnen denken aan door horzels geplaagd vee. Maar ohd. bisōn betekent bronstig rondlopen en dat zal wel de oudere bet. zijn. Het ww. komt alleen in het westgerm. voor; is er aanleiding aan te knopen aan een idg. wortel, of moet men niet eerder aan een hier ontstaan of uit een substraat taal overgenomen woord denken? — Mnl. bīsen > fra. bezer ‘heen en weer lopen van koeien, die door horzels geplaagd worden’ (15de eeuw, M. Valkhoff 61).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bijster bnw., mnl. bijster “in ’t wild rondloopend, waanzinnig, woest, vervallen, buitensporig”. = mnd. bîster “in ’t wild rondloopend, verloren hebbend, verwilderd, vervallen, ontuchtig, ellendig, slecht”, ofri. biū̆ster-lik “verward, slecht”. Een opvallende, wellicht door vervorming (contaminatie?) ontstane bijvorm is vla. bijstier. Uit het Ndd. komen nhd. biester “donker, somber, woest”, de. bister “grimmig, boos, donker”, zw. bister “norsch, ruw, ontzagwekkend”. Of en op wat voor wijze dan eng. boisterous “onstuimig” hierbij hoort, is onzeker. Ook de afl. ndl. verbijsteren (reeds mnl.), mnd. vorbîsteren “bijster worden, bijster maken” (op verschillende wijze gespecialiseerd) heeft zich ver verbreid: hd. verbiestern, de. forbistret, deelw. van ouder-de. forbistre, zw. förbistra. Bijster is afgeleid van mnl. bîsen “wild rondloopen, op een dwaalspoor zijn, rondzwerven”, dat = “wild rondloopen” (vooral van koeien) dial. nog voorkomt, hier en daar belangrijk vervormd: Wvla. bijzen (d.i. bîzen), Antw. bizzen, bĭzen (in dgl. bet. brissen, brizzen, briezen), Kempen birzen, Limb., Oost-N.-Brab. bizzen, Neder-Betuwe bi(e)tse, Bommelerw. bitse, Vel. en bij Kampen bizen, Achterh. en Tw. bissen, bisen, Dr. biezen, bissen, birzen, beerze(l)n, Gron. birze(l)n, ook fri. dial. biizje. Vgl. ohd. bī̆sôn, bī̆sen “bronstig ronddraven, onrustig ronddraven” (nhd. biesen, zwits. met î), mnd. bissen “onrustig rondloopen” (van koeien, die door een horzel geplaagd worden, of in den bronsttijd). Hieruit de. bisse. Verwant met ohd. bîsa v. (nhd. bise met dial. onveranderde i) “noordoostenwind” (hieruit fr. bise), zuidndl., limb., geld., overijs. bîs, bijs, -ze “bui, wind”. Germ. ƀī̆s- komt van den idg. wortel bhei-. Zie beven en vgl. formantisch oi. bhîṣấ “uit vrees”, bhîsáyate “hij maakt bang”. Obg. běsŭ “daímōn” kan bezwaarlijk hierbij hooren (wegens de s en niet ch), eventueel wel lit. baisà “schrik” en mier. baes “gril, dwaasheid”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bijster. Naast mnd. bis(s)en ‘onrustig ronddraven (van koeien) komt ook bēsen ‘id.’ voor. Vgl. nog bezig Suppl.
Of ohd. bîsa v. ‘noordoostenwind’ enz. verwant zijn, is niet zeker.
Onwaarschijnlijk is de afleiding der groep van bijster van de met -s- verlengde wortel idg. *bhei- ‘vrezen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bijster bijv., Mnl. bijster + Ndd. bîster (waaruit Hgd. biester, Zw. en De. bister): van denz. wortel als bijzen. Hierbij nog Ofri. biusterlik = verward en Eng. boisterous = onstuimig. Vla. en Kil. bijstier zal wel volksetym. zijn onder invloed van bij of buiten stier (stuur) zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

beester, bn.: kwaad, boos. Het Ndl. woord bijster: Mnl. bijster ‘verbijsterd, uitzinnig, buitensporig’, Mnd. bister ‘verwilderd, ontuchtig, ellendig, slecht’, De. bister ‘grimmig’, Zw. bister ‘nors, ruw’. Afl. van Mnl. bisen ‘wild rondlopen, zwerven’. Zie bijzen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

biester bw.: somber, boos. Niet-gediftongeerde uitspraak van bijster. Wvl. bijstier ‘berooid, behoeftig, arm’. Mnl. bijster, bijstier ‘loslopend, verbijsterd, uitzinnig, berooid’; Vnnl. bijstier oft tuts maken ‘plumer et le vuider tout net’, bijstier zijn ‘qui n’a plus rien, estre tout plumé ou espuisé de biens’ (Lambrecht), bijstier, bijster ‘geweldig, vreselijk, wild; berooid, arm’ (Kiliaan). Mnd. bîster ‘loslopend, verwilderd, ellendig, slecht’, Ofri. biusterlik ‘verward, slecht’. Het woord wordt ook wel in verband gebracht met E. boisterous ‘onstuimig, heftig’. Algemeen afgeleid van Mnl. bisen ‘wild rondlopen’, Mnd. bîsen, bêsen ‘onrustig ronddraven (van runderen)’, Ohd. bîsôn ‘bronstig of onrustig ronddraven’. Vgl. Ohd. bîse, D. Bise ‘noordoostenwind’, Wvl.-Ovl. bize, bijze ‘wind’. Van Idg. *bhei ‘beven’. Een probleem vormt de Mnl. en Wvl. vorm bijstier, die aan bij-stier doet denken. Wellicht is de vorm volksetymologisch te verklaren door associatie met zn. stier (mannelijk rund) of zn. Vlaams stier ‘stuur’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

biester (ZV), bw.: somber, boos. Niet-gediftongeerde uitspraak van bijster. Wvl. bijstier 'berooid, behoeftig, arm'. Mnl. bijster, bijstier 'loslopend, verbijsterd, uitzinnig, berooid'; Vnnl. bijstier oft tuts maken 'plumer et le vuider tout net', bijstier zijn 'qui n'a plus rien, estre tout plumé ou espuisé de biens' (Lambrecht), bijstier, bijster 'geweldig, vreselijk, wild; berooid, arm' (Kiliaan). Mnd. bîster 'loslopend, verwilderd, ellendig, slecht', Ofri. biusterlik 'verward, slecht'. Het woord wordt ook wel in verband gebracht met E. boisterous 'onstuimig, heftig'. Algemeen afgeleid van Mnl. bisen 'wild rondlopen', Mnd. bîsen, bêsen 'onrustig ronddraven (van runderen)', Ohd. bîsôn 'bronstig of onrustig ronddraven'. Vgl. Ohd. bîse, D. Bise 'noordoostenwind', Wvl.-Ovl. bize, bijze 'wind'. Van Idg. *bhei 'beven'. Een probleem vormt de Mnl. en Wvl. vorm bijstier, die aan bij-stier doet denken. Wellicht is de vorm volksetymologisch te verklaren door associatie met zn. stier (mannelijk rund) of zn. Vlaams stier 'stuur'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bijster ‘(van weer) woest, onstuimig, onbestendig’ -> Deens bister ‘grimmig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bister ‘grimmig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bister ‘grimmig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bijster* bijwoord van graad: zeer 1598 [WNT]

bijster* niet meer wetend 1642 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal