Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijl - (hakwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bijl zn. ‘breedbladig hakwerktuig’
Mnl. bijl [1240; Bern.], bile [1286; CG I, 1180]; vnnl. bijl [1562; Naembouck]. Daarnaast met korte i mnl. bille ‘bilhamer’ [1381; MNHWS].
Mnd. bīl, bīle; ohd. bīhal (nhd. Beil); nfri. bile; on. bílda ‘pijl’, bīldr ‘aderlaatmes’; een reconstructie pgm. *bīþla is onzeker. Daarnaast met korte i os. bil ‘paaltje, pin’; ohd. billi ‘zwaard’ (nhd. Bille ‘houweel’); oe. bil(l) ‘kromzwaard’ (me. bil ‘hakwerktuig, kromzwaard, hellebaard, spies’, ne. bill ‘hellebaard’); < pgm. *bilja-.
Buiten het Germaans vergelijkt men allereerst Oudiers biail ‘bijl’, maar vormen als deze zijn niet goed verklaard. Verder denkt men aan Oudkerkslavisch biti ‘slaan’ (Russisch bit', Tsjechisch bít ‘id.’) < pie. *bhī- < *bheiH-, *bhiH- ‘slaan’ (IEW 117-18). Nog minder wrsch. is verwantschap met Armeens bir ‘knots’, onwaarschijnlijk is die met Grieks phitrós ‘blok, boomstam’. Mede gezien de betekenis gaat het hier wrsch. om een substraatwoord.
In de geschiedenis van het Nederlands ziet men dat wat de synoniemen aks en bijl betreft, in de Middeleeuwen de aks, met langere steel en smaller snijblad, typisch als strijdbijl gebruikt werd, terwijl tegenwoordig de aks het instrument voor grof hak- en kapwerk, de bijl voor het kleinere, preciezere snijwerk is. Door de eeuwen heen valt echter vaak vervaging van de grenzen tussen deze termen op.
billen ww. ‘de groeven van een molensteen scherpen’. Mnl. billen ‘slaan, houwen, een molensteen scherpen’ [ca. 1450; MNW]. Verwant met mnd. billen ‘een molensteen scherpen’; ohd. thuruh-billōn ‘met een bil (= hakwerktuig) iets weghakken’ (nhd. billen ‘hakken met een houweel’); nfri. bilje; me. billen ‘krabben, steken’; < pgm. *bilja-. Billen wordt gedaan met een bilhamer (mnl. bille).

EWN: ♦ billen ww. 'de groeven van een molensteen scherpen' (ca. 1450)
ANTEDATERING: billen 'scherpen' [1390-1400; iMNW mostaertmolen]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bijl* [werktuig] {bile 1201-1250} oudsaksisch bil [zwaard], oudhoogduits bihal, oudengels bill, oudnoors bíldr [lancet, mesje]; buiten het germ. oudiers biail [bijl], russisch bilo [hamer]. De uitdrukking zijn bijltje kwijt zijn [niet weten wat te doen] is ontleend aan II Koningen 6:5-7 → billen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bijl znw. v., mnl. bīle v., bijl m. o.?, mnd. bīl o. bīle v., ohd. bīhal, bīal o., ‘bijl’, on. bīlda v., ‘pijl’, bīldr m. ‘mes voor aderlaten’. — (< oergerm. *bīþla < idg. *bhei-tlo). Daarnaast staan os. bil ‘zwaard’, ohd. mhd. bil ‘pikhouweel’ o., nnd. bille ‘steenhamer’, oe. bill ‘krom tweesnijdend zwaard’ < oergerm. *bĭþla < idg. *bhĭtlo. — Dentaalformatie van de idg. wt. *bhei ‘slaan’, vgl. gr. phitrós ‘blok, groot stuk gekloofd hout’, osl. bĭją, biti ‘slaan’, russ. bilo ‘stok om mee te slaan’, oiers biail ‘bijl’, ro-bī ‘sloeg’, arm. bir ‘knots’ (IEW 117-8). — Zie: billen.

Opmerkelijk is de overeenstemming tussen germ. en keltisch, wat de betekenis betreft; dat kan duiden op een cultuurgemeenschap, waarin de bijl met dit woord benoemd werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] bijl. Maastr. bîl nog o.

bijl znw., mnl. bîle v., bijl (m. o.?). = ohd. bîhal, bîal o. (nhd. beil), mnd. bîl o., bîle v., on. bîldr m., bîlda v. “bijl”, germ. *ƀîþla- (-ôn-). Hiernaast *ƀiðla- in ohd. bill, os. bil, ags. bill o. “zwaard” (eng. bill “houweel, bijl”). Het is mogelijk, dat deze woorden (idg. *bhéitlo-, *bhitló-) uit *bhéid-tlo-, *bhid-tló- zijn ontstaan en bij bhid (zie bijten) hooren. Maar waarschijnlijker is de directe afl. van bhī̆- “slaan”, waarvan ook obg. bĭją, biti “slaan” en verder ier. benim “ik sla, snijd” (praet. ro-bî), biail “bijl”, lat. per-fines “perfringas”, wellicht ook fistûca “heiblok, straatstamper”, gr. phitrós “blok, stuk hout”. Van wgerm. *billa- komt het ww. mnl. billen “slaan, houwen”, ook (evenals nnl. billen) “een molensteen scherpen”. = ohd. billôn “houwen, hakken” (nhd. billen “den molensteen scherpen”, bille v. “werktuig daarvoor”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bijl. Het woord is nog onz. in veel zuidndl. diall.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bijl v., Mnl. bile + Ohd. bîhal, bîal (Mhd. bîl; Nhd. beil), On. bíldr: Ug. *bîþla-, uit Idg. *bhei̯d-tlo- of Ug. bî-l(l)- uit Idg. bhei̯-ln-, van wrt. bhei̯d of wrt. bhei̯ + Ier. biail = bijl (z. bijten, beitel).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De bijl aan de wortel leggen of zetten (van iets), de uiteindelijke oorzaak (van een misstand) grondig aanpakken; het bestaan of het wezenlijke (van iets) aantasten.

De evangelisten Matteüs en Lucas citeren Johannes de Doper in zijn waarschuwing: 'Ja, de bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen' (Lucas 3:9, NBV). In oudere vertalingen vinden we: de bijl is reeds gezet etc., waar de tweede zegswijze de bijl aan de wortel leggen, zetten is afgeleid is. De laatstgenoemde betekenis hiervan, 'het wezenlijke van iets aantasten', is in elk geval niet op een bijbelse betekenis gebaseerd.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 26, 32-34. Ende oc seggic v dat nu dat bijl gesett es an de wortele van den bome, ende elc boem die goede vrocht nit en dregt, sal af gehowen werden ende geworpen int vir.
Deze minister en haar collega van Economische Zaken verdienen alle lof voor het lef om na al die jaren fröbelen in het geneesmiddelendossier nu de bijl aan de wortel [...] te zetten. (Tweede Kamer, nov. 1995)
Dat [het aantasten van de bestaande arbeidsovereenkomsten] zou volstrekt ontoelaatbaar zijn, omdat het de bijl legt aan de wortel van de arbeidsverhoudingen. (Tweede Kamer, dec. 1995)
Onderwijs legt toch de bijl aan de wortel van het Samburu-bestaan. (NRC, april 1995)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bijl ‘werktuig’ -> Fries bile ‘werktuig’; Deens bil ‘werktuig; hardwerkend persoon’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bile ‘werktuig’; Zweeds bila ‘werktuig, aks’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins piilu ‘werktuig’ ; Shona bheura ‘werktuig’ ; Ambons-Maleis dialect bil ‘werktuig’; Javaans bèl ‘werktuig’; Negerhollands biel, bil, buil ‘werktuig’; Berbice-Nederlands bili ‘werktuig’; Skepi-Nederlands bilǝ ‘werktuig’; Sranantongo beiri ‘werktuig’; Arowaks barho, baro ‘werktuig’; Polynesisch velekō (Fiji), ver'ō (Rotuman) ‘werktuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bijl* werktuig 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

236. Er met de grove (breede) bijl in hakken,

d.w.z. ruw, driest, ook verkwistend te werk gaan; fig. groote woorden gebruiken, snoeven. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij Winschooten, 25: Hij hakter met een breede Bijl in: dat is, oneigendlijk hij gaat ruim te werk, hij snijd geweldig op. Zie ook Paffenr. 121; Van Effen, Spect. III, 36; Sewel, 142: Er met de breê byl inhakken, to exagerate, to puff, to tell stories; Halma, 260; Gy hakt'er met de kerfbyl in, vous taillez en plein drap; vous êtes un grand hableur; bl. 92: Ergens met de breede bijl in hakken, ruim spreken, faire le fanfaron; De Arbeid, 6 Maart 1915 p. 2 k. 3: De ‘kwakende leiders’ van het N.A.S. hakken er maar met de groote bijl op in. Zij vragen niet waar het vandaan moet komen. - Bij verkorting ook er in hakken, in de zegswijze hij of dat hakt er in, dat kost geld (Harreb. III, 28). Bij Molema, 152 a: d'r mit de heksebiele insloagen (of inhouen); in het fri.: hy slacht er mei de stompe bile yn, dat te vergelijken is met hy snijt omstikken, dat de sydstikken der nei fleane, eig. hij snijdt groote stukken, dat er kleine navliegen: fig. hij snijdt op (W. Dijkstra 335 a); ook bet. mei de greate (stompe) bile der ynhouwe, plompweg iets zeggen (Fri. Wdb. 138 a); hy docht it mei lange stappen en de rûge bile, in 't ruwe. In Zuid-Nederland: er diep in toe kappen, overdrijven (zie Volkskunde XI, 163); er met de klos onder slagen, misdoen, afroffelen (Antw. Idiot. 672); er met den groven borstel (fr. à la grosse brosse), de grove bijl, den groven (of vuilen) bessem deurgaan, met geweld handelen (Waasch Idiot. 106; 267); zie Ndl. Wdb. II, 2620; vgl. opsnijden en het eng. to throw, fling, sling the hatchet, opsnijden.

237. Het bijltje er bij neerleggen,

d.w.z. ophouden met werken, de kap op den tuin hangen; vroeger het roer in de heg steken of de spade bij het werk steken; de naald in 't spek steken; ook sterven, waarvoor in het fri.: it breidsjen dellizze, het breiwerk neerleggen; afrik. tou opgooi, die riem afsnij (Boshoff, 335; 338). Zie Harreb. II, XLIII a; Onderm. 27: Ik leg er dus het bijltje bij neer, of anders gezegd: ik abdiceer; Zondagsbl. v. Het Volk, 21 Febr. 1914 p. 1 k. 4: Nog tien jaartjes, dan waren ze zestig, dan zouden ze het bijltje er bij neerleggen en uitrusten van al hun gezwoeg; De Arbeid, 18 Maart, 1914 p. 4 k. 2: De tuinlieden zijn het confereeren moede en hebben het bijltje of liever gezegd de schop er bij neergelegd. - De uitdr. kan ontleend zijn aan de scheepstimmerlieden, vroeger en thans ook nog bijltjes genaamdZie Winschooten, 25: Bijl of bijltje werd genaamd, binnen scheepsboord, de scheepstimmerman, omdat hij met de Bijl arbeid.. In het hd. dialect die Hacke in den Winkel legen (Wander II, 247). Vgl. nog het fri. hy jout skeppe en leppe wer, hij geeft schop en spade terug, hij werkt niet meer zoo hard; zijn stoffelijke omstandigheden zijn verbeterd, dus hetzelfde als het vroegere het anker achter of bij de katWinschooten, 102: Een paal op de kaai geslaagen, daar de Ankerstok aan gehegt werd; Ndl. Wdb. VII, 1785. zetten, leggen, werpen, gaan rentenieren (Halma, 257); het anker neergooien (op Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIV, 249.).

238. Ik heb al zoo lang met dat bijltje gehakt,

d.w.z. ik heb dat(zelfde) werk al zoo lang gedaan, bij de hand gehad. Vgl. Harreb. I, 57: Ik heb met die bijl al zoo lang (of dikwijls) gehouwen; Handelsblad, 3 Dec. 1914 (A) p. 6, k. 6: In elk geval zijn deze leden deskundigen, die jarenlang met dit bijltje gehakt hebben; Schoolblad, XLIII, k. 1238: Nu heb ik al eenige jaren met dat bijltje gehakt en kan je dus wel wat meedeelen over het werken van een reserve-onderwijzer. Hiernaast met hetzelfde bijltje hakken, op dezelfde wijze handelen; vgl. Het Volk 12 Sept. 1913, p. 1, k. 1. ‘De Standaard’ hakt thans met hetzelfde bijltje.

1227. De kolf naar den bal werpen,

d.w.z. het opgeven, den moed verliezen; fr. jeter le manche après la cognée. Bij Sartorius III, 6, 54: de kolf na de bal werpen; 10, 9: ick hebbe de kolf na de bal geworpen; bij Winschooten, 116: ‘de Kolf werpen naa de Bal, is een spreekwoord, waar meede beteekend werd, sig soo wel ontblooten van het een als het ander, het spel gewonnen geeven.’ Zie nog Brederoo, Sp. Brab. vs. 159; Tuinman 1, 178; Harreb I, 29 en vgl. de bijl naar den steel werpen of den steel naar de bijl werpen (Halma); eng. to send the axe after the helve or to throw the helve after the hatchet; hd. der Axt den Stiel nachwerfen. Vgl. Joos, 102; Waasch Idiot. 186 b: de naald bij (of achter) den verloren draad smijten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut