Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijkans - (bijna, nagenoeg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bijkans bw. ‘bijna, nagenoeg’
Mnl. bicans ‘bijna, bijkans’ [1432-68; MNW], bicant [ca. 1440; MNW]; vnnl. bijkants [1599; Kil.].
Gevormd uit → bij 1 met òf het zn.kant met achtervoegsel → -s, of het zn.kans.
Mnd. bekans, bikanse, bikant(es) ‘ongeveer, bijna’; nfri. bykâns.
Nog in het Vroegnieuwnederlands vindt men naast elkaar de vormen bycant, bykant en bycans (WNT). De uitdrukking zou oorspr. bi kant luiden en in de loop van de tijd een bijwoordelijke uitgang → -s hebben gekregen. Volgens het WNT is de eigenlijke betekenis ‘bij het kantje af’, wat minder wrsch. lijkt; de oorspr. betekenis is eerder ‘grof geschat’ of iets dergelijks. Er zou ook sprake kunnen zijn van een uitdrukking *bij kans, gezien mnl. bicans en ook mnd. bekans, bi kanse ‘misschien, ongeveer’, (bijv. in duerende bekans een jar lanck ‘gedurende bijna een jaar lang’ [1500-50]).
In de standaardtaal is het accent op de eerste lettergreep komen te liggen. Dialectisch bleef het oorspr. accent bewaard, waardoor uit bykant de vorm bekant kon ontstaan.
Lit.: Philippa 1992b

bijkans bw. ‘bijna, nagenoeg’
Mnl. bicans ‘bijna, bijkans’ [1432-68; MNW], bicant [ca. 1440; MNW]; vnnl. bijkants [1599; Kil.].
Gevormd uit → bij 1 met òf het zn.kant met achtervoegsel → -s, of het zn.kans.
Mnd. bekans, bikanse, bikant(es) ‘ongeveer, bijna’; nfri. bykâns.
Nog in het Vroegnieuwnederlands vindt men naast elkaar de vormen bycant, bykant en bycans (WNT). De uitdrukking zou oorspr. bi kant luiden en in de loop van de tijd een bijwoordelijke uitgang → -s hebben gekregen. Volgens het WNT is de eigenlijke betekenis ‘bij het kantje af’, wat minder wrsch. lijkt; de oorspr. betekenis is eerder ‘grof geschat’ of iets dergelijks. Er zou ook sprake kunnen zijn van een uitdrukking *bij kans, gezien mnl. bicans en ook mnd. bekans, bi kanse ‘misschien, ongeveer’, (bijv. in duerende bekans een jar lanck ‘gedurende bijna een jaar lang’ [1500-50]).
In de standaardtaal is het accent op de eerste lettergreep komen te liggen. Dialectisch bleef het oorspr. accent bewaard, waardoor uit bykant de vorm bekant kon ontstaan.
Lit.: Philippa 1992b

EWN: bijkans bw. 'bijna, nagenoeg' (1432-68)
ANTEDATERING: Dat sy dicwile bicant sijn doet 'dat ze dikwijls bijna dood zijn' [1400-20; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bekant [bijna] {1901-1925} dial. nevenvorm van bijkans.

bijkans [bijna] {bicans 1432-1468, bikant 1440} van middelnederlands bicant [bijna], van bi [bij, omtrent] + cant [kant, rand, grens], met het bijwoorden vormende achtervoegsel s.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bijkans bw. is ontstaan uit mnl. bicant + bijw. s., vgl. mnl. bican(t)s ‘bijna, ongeveer’, mnd. bikant, bikantes ‘ongeveer’. Voor de oude bet. zie de uitdrukking bij het kantje af.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bijkans bijw. Met bijwoordelijke s (zie thans) uit bikant. Mnl. bicant, ook reeds bican(t)s = “bijna, ongeveer”. Bijkant, bekant e.a. vormen komen nog dial. voor. = mnd. bikant, bikantes “ongeveer”. Oorspr. bet. “bij den kant”; vgl. ndl. bij het kantje af.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bijkans bijw., Mnl. bicans, met de adverb. s en samensmelting van ts tot s uit bij kant, Mnl. bicant, d.i. bij den kant.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bekans (bijw.) bijna; Middelnederlands bicans <1432-1468>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bekant, bekaant, bekaanst, mekaant, bw.: bijna. Met verdofte, want onbetoonde, klinker naast Vl. bijkan(s). Mnl. bican, bican(s)t < bi cant ‘bij de kant, aan de rand’, dus ‘bijna’. Mekaant door wisseling van de bilabialen b/m.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bykans bw. (deftig)
Amper, byna.
Uit Ndl. bijkans (al Mnl.). Mnl. bicans is 'n afleiding met -s van bicant, met lg. 'n samestelling van bi 'by, omtrent' en cant 'kant, rand, grens'. Mnl. bicant beteken dus lett. 'by die kant' of 'na aan die kant'.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bekan, bekan(s)t bw.: bijna. Met verdofte, want onbetoonde, klinker naast Vl. bijkan(s). Mnl. bican, bican(s)t < bi cant ‘bij de kant, aan de rand’, dus ‘bijna’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bekant bijna (Noord-Holland, Noord-Brabant, Noord-Belgisch-Limburg). = mnl. bicant ‘id.’, = mndd. bikant ‘id.’. Samenkoppeling van bij + kant ‘rand’; vgl. op het kantje af.
Bernaerts 20, WNT II 2614-2615.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bijkans bijwoord van hoedanigheid: bijna 1432-1468 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal