Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijgoochem - (onbenul, sufferd)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bijgoochem, wijgoochem: (Bargoens) onbenul, sufferd. Ook voor: bijdehand persoon, betweter, pedant iemand. In het prostitutiemilieu ook een kwaadaardige pooier, vooral eentje die pas begint. Volgens Endt (1974) via Joodse kringen in de lagere volkstaal doorgedrongen. De letterlijke betekenis van dit van oorsprong Jiddische woord is: meer dan wijs, waanwijs; iemand wiens zogenaamde wijsheid schade en verdriet berokkent. Goochem (wijs) + wij, dat eigenlijk én betekent en hier dus wordt gebruikt ter intensivering.

Jáá, die dokters binne me wij-choochems… (Israël Querido, Levensgang, 1901)
Hij verkocht in mekaar gestampte kerstboomballen als diamant aan bijgoochems en rijke boeren. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
‘Jij versjwartste nar,’ antwoordde vader razend van woede, ‘jij bijgoochem, moet jij me voorschrijven of je moeder naar het sanatorium moet.’ (Sal Santen, De kortste weg, 1979)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut