Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijgeloof - (superstitie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bijgeloof zn. ‘superstitie’
Vnnl. by-gelooven (mv.) ‘wangelovige ideeën’ [1595; WNT], Bij-ghe looue ‘bijgeloof’ [1599; Kil.].
Gevormd uit → bij 1 en → geloof.
Mnd. bigelove; nfri. byleauwe, bygelove.
Kil. 1599 heeft naast bij-ghelooue ook auer-ghelooue en ouer-ghelooue; voor alledrie geeft hij als betekenis ‘bijgeloof’. Auer- /aver/ zou dan het equivalent zijn van Duits aber- (dat het tegenovergestelde van het grondwoord vormt) als in Aberglaube ‘bijgeloof’, terwijl ouer- vertaling van Latijn super- in superstitio ‘bijgeloof’ suggereert. Maar misschien is het ook een dialectische variant van auer-.
bijgelovig bn. ‘met bijgeloof behept; op bijgeloof berustend’. Vnnl. bijgeloovig ‘met bijgeloof behept’ [1657; WNT]; nnl. bijgeloovig vertrouwen ‘op bijgeloof berustend vertrouwen’ [1843; WNT wichelroede].

EWN: bijgeloof zn. 'superstitie' (1595)
ANTEDATERING: van haren byghelooue 'van hun bijgeloof' [1560; Biestkensbijbel, Hand 25:19]
EWN: ♦ bijgelovig bn. 'met bijgeloof behept; op bijgeloof berustend' (1657)
ANTEDATERING: al te bygheloouich 'al te bijgelovig' [1560; Biestkensbijbel, Hand 17:22]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bijgeloof* [superstitie] {1595} vgl. middelnederduits bi(ge)love; van bij1 + geloof (vgl. geloven).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bijgeloof znw. o., sedert vroegnnl. in de huidige bet., maar mnl. bîgelôve ‘een geloof, dat van de rechte leer afwijkt’. Daarnaast stond in ouder-nnl. overgeloof (sedert de 17de eeuw), mogelijk uit het nhd. aberglaube, of evenals dit onder invloed van lat. superstitio (vgl. ook nde. overtro); het voorvoegsel aber- in het nhd. woord is het zelfde als in aberwitz, mhd. aberlist ‘onverstand’; ouder-nhd. abergunst staat naast mhd. abegunst (waarvoor zie: afgunst).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bijgeloof znw. o., sedert het Oudnnl. Een formatie als oudnnl. (o.a. Kil.) overgeloof, welks eerste lid een directe vert. van dat van lat. superstitio is; evenzoo de. overtro, maar mnd. (ge)lôve. Hd. aberglaube m. “bijgeloof” beteekent oorspr. “van ʼt rechte geloof afwijkend geloof”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bijgeloof ‘superstitie’ -> Fries bygeloof ‘superstitie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bijgeloof* superstitie 1595 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut