Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijdehand - (vlug van begrip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bijdehand bn. ‘vlug van begrip’
Nnl. bijdehand ‘vaardig, gevat, slim’ [1806-07; WNT hand], bijdehandte natuurtjes ‘slimme meisjes’ [1913; WNT wraak I].
Gevormd naar de uitdrukking (vroeg) bij de hand zijn ‘(vroeg) op zijn’ [1746; WNT], dus ‘wakker, uitgeslapen zijn’. Doordat deze uitdrukking als bn. werd geherinterpreteerd, werden ook verbogen vormen mogelijk. Vermoedelijk door de verscherping van de -d op het woordeinde komen dan ook vormen met -t- voor: een bijdehante jongen.
In oudere teksten vindt men ook het bn. bijdehandsch, bijderhandsch ‘aan de linkerzijde van de koetsier ingespannen (van een paard)’ [1769-1811; WNT] (ook Fries byderhânsk); dit woord lijkt met bijdehand geen verband te houden.
bijdehandje zn. ‘iemand die bijdehand is, m.n. een kind’. Nnl. een slim klein meisje, een bijdehandje [1896; WNT vuil I].

EWN: ♦ bijdehandje zn. 'iemand die bijdehand is, m.n. een kind' (1896)
ANTEDATERING: "bijdehandje", van ... "bij de hand" (zijn) gevormd [1862; Taalgids, 106]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

812. Bij de(r) hand zijn,

d.w.z. dicht bij zijn; de hand is hier genomen als zinnebeeld van nabijheid; vgl. lat. ad manum esse; het mnl. present ende bi der hant, en ons voorhanden. Vandaar ook dat de uitdr. kan beteekenen niet meer afgezonderd (op de slaapkamer) zijn, te spreken zijn (fr. visible), al op zijn (Sewel, 313; Halma, 203); eene derde beteekenis is die van behendig, bedreven, bij de pinken, listig zijn, zich de kaas niet van het brood laten eten, die wellicht zoo moet worden verklaard, dat iemand spoedig ergens tegenwoordig is, er gauw bij is, vlug is; vgl. bij het hek zijn (Harreb. I, 299) en het Antw. bij de werk zijn, gereed zijn, fri. by de wirken, aanwezig; 17de eeuw bij de werke(n) zijn of hebben, bij de hand zijn of hebben (Lat. Versch. 413). Zie verder het Ndl. Wdb. V, 1811; II, 2569; Antw. Idiot. 232: bij der hand zijn, handig, vlug, behendig zijn.Terloops zij gewezen op het adj. bijdehandsch (fr. sous la main) van een paard gezegd, dat aan de linkerzijde in 't span loopt, terwijl het andere dan vandehandsch (fr. hors de la main) genoemd wordt.
Bij de voerlieden is de linkerhand de hand bij uitnemendheid: deze houdt de teugels; Ndl. Wdb. V, 1770-1771.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut