Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bij - (insect)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bij 2 zn. ‘insect (honingbij: Apis mellifera)’
Onl. in de plaatsnaam Bingart ‘Bingerden (Gelderland)’ [970; Künzel]; mnl. bie ‘honingbij’ [1240; Bern.]; vnnl. bij ‘id.’ [1574; Kil.].
Os. bī- (mnd. be, bie); ohd. bīa [10e eeuw] (mhd. bie; Opperduits Beie); nfri. bij; oe. bēo, eerder bio-wyrt ‘balsemwormkruid (Tanacetum balsamita)’ [ca. 700] en bēowulf ‘beer’, letterlijk ‘bijenwolf’ (ne. bee); on. (nzw. bi). Daarnaast staan vormen met -n-uitbreiding: os. bina, bina-wīso ‘bijenkoningin’, bini (mnd. ben(e), bine); ohd. bini [8e eeuw], bīna [10e eeuw] (nhd. Biene); < pgm. *bi(j)ō- ‘bij’.
Buiten het Germaans, met -t-uitbreiding: Litouws bìtė; Welsh byd-af ‘bijennest’; met -k-uitbreiding: Oudkerkslavisch bĭčela (Russisch pčela, Tsjechisch včela); met afwijkend vocalisme: Oudiers bech (als Keltisch *beko- kan worden aangenomen). De aanname van een wortel pie. *bh(e)i- ‘bij’ (IEW 116) is twijfelachtig. Gezien de verspreiding en het betekenisveld moet gedacht worden aan een substraatwoord, waarvan de vele verschillende vormen dan als aanpassingen aan de diverse talen beschouwd kunnen worden.
Mnl. -ie- van bie wordt klankwettig geen -ij-. Slechts in enkele woorden, waar de -ie in de auslaut stond, viel deze klinker samen met de -ī- en werd dan gediftongeerd, zie Schönfeld 1970, par. 76, opm. 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bij2* [insect] {bie 1201-1250} oudsaksisch bi, oudhoogduits bia, oudengels beo, als in Beowulf, oudnoors ; buiten het germ. latijn fucus [hommel, dar], iers bech, litouws bitė, lets bite.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bij 1 znw. v. mnl. bie, mnd. bie v., vgl. os. bī-brōd ‘honigraat’ uit westgerm. *bi(j)ō(n). Daarnaast staat de grondvorm *bīa, zoals on. (-fluga) en verder os. ohd. bini (nhd. biene). Buiten het germ. vinden wij weer andere vormen: osl. bĭčela, opr. bitte, lit. bite, bitis, lett. bite en kymr. bydaf ‘bijenkast’, oiers bech, gall. *bekos (lat. fucus is beter te scheiden). De grondvorm is dan idg. *bhei (IEW 116).

Verdere aanknopingen zijn volkomen onzeker. Die met de wt. *bhi ‘vrezen’ (zie: beven) bevredigt semantisch niet; vele insecten hebben trillende vleugels. Die met de idg. wt. *bheu (zie: bouwen), reeds door J. Grimm voorgesteld, zou dus eig. de werkbij aanduiden; maar de vokalen zijn moeilijk te verbinden. De verklaring als ‘de bijter, steker’ die F. A. Wood AJPh 41, 1920, 224 vgl. voorstelt, verbindt het woord met de groep van bijl, maar is al te avontuurlijk. — Het woord is beperkt tot het Keltisch-germaans-balto-slavische gebied; daar de bij reeds zeer vroeg wegens de honig een insect was, dat de aandacht der vroegste bewoners getrokken heeft, zou ik geneigd zijn aan een substraatwoord te denken; de vele afwijkende vormen van het woord zijn dan te verklaren, want in verschillende streken heeft men het voor-idg. woord telkens weer op eigen manier aan de eigen taal aangepast. — Zie ook: ijmker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bij II znw., mnl. en in de meeste nndl. diall. bie v., een gecontraheerde vorm evenals ags. bîo, bêo v. (eng. bee). De vorm bij gaat wellicht in sommige diall. op een niet samengetrokken bîe (= ohd bîa v., nhd. alem. ) terug, elders echter kan de ij daardoor ontstaan zijn, dat vóór een volgenden klinker (in Zeeland, op Goeree en de Vel. ook aan ʼt eind van een woord) ie (uit ê2, eo of hoe ook ontstaan) en î samenvielen. Naast den wgerm. stam *bi(j)ô(n)-, waarvan nog mnd. bie v. “bij” (os. bî-brôd o. “honigraat”), komen voor: ode. by o. mv., on. bŷ-fluga v. “bij” (*bîwa-) en ohd. bini o. (nhd. biene v.), os. bini- (in samenst.) “id.”. In ʼt Mhd. komt ook bîn (nhd., bei. bein, naast beij) voor. Buiten ʼt Germ. vgl. ier. bech (kelt. *bi-ko-) “bij”, lit. bitìs, bìtė “id.”, met ablaut lat. fûcus (*bhoi-qo-) “hommel”. Misschien nog obg. bĭčela “bij”. Men brengt deze woorden bij bhī̆-, bhei- “vreezen’; zie beven [Corr. noot. Over eventueele kelt. verwanten (oier. báigul “gevaar”, báith, boith “onnoozel” e.a.) vgl. Pedersen, Vergl. Gramm. der kelt. Sprachen, 1,56.]. Dan zouden wij van de secundaire wortelbet. “beven, trillen” moeten uitgaan. — Voor een ander woord voor “bij” zie imker. Dial. beteekent bij ook “korf met bijen, bijenzwerm”, vgl. mhd. bîe o. “bijenzwerm”. Te Balinge (Dr.) is bij “korf met bijen”, iem “bij”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bij II. Ten onrechte is ngerm. *bîwa- aangenomen: < *bîu, mv. van on. * = ozw. .

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bij II znw. Ode. on. bŷ (o. mv. < *bîu. vgl. ozw. bî, bŷ o.) veronderstellen geen wa-stam, maar een a-stam *bia- (v. Wijk Aanv.). Van de in het art. genoemde verwanten buiten het Germ. is ier. bech onzeker; lat. fûcus behoort waarschijnlijk niet hierbij, doch eerder (als *bhou-qo-) bij ags. bêaw (m.?) ‘horzel’.
Al te speculatief is de combinatie met de bij beven besproken woordgroep; zeer vaag ook de hypothese van F.A.Wood AJPh. 41, 224 vlg., dat bij (oorspr. ‘de bijter, steker’) met de groep van bij I zou verwant zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bij 1 v. (insekt), uit bije, Mnl. bië (thans Westvl. bië en bie), Os. + Ohd. bîa, Ags. béo (Eng. bee), On. (Zw. en De. bi): tweelettergrepige stam bi(j)ô-, waarop de vormen met î, ij teruggaan; de ander vormen hebben den stam eenlettergrepig gemaakt met een diphthong dien ze als eo behandelden; daarnevens met een ander suff. Ohd. bini (Mhd. bine, Nhd. biene) + Ier. beach, Lit. bitìs, Lett. bitte, Lat. fucus (d.i. *bhoi̯-kos = hommel): van den wortel van beven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bij (zn.) bij (insect); Aajdnederlands bi <970>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bien, zn.: bij. D. Biene, Ohd. bini, Mhd. bine, bin, Mnd. bên(e), naast met rekkingstrap Ohd. bîna, Mhd. bîn, Mnd. bîne.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bie bij (insect) (Zuid-Nederland). = mnl. bie = mndd. bie = oeng. béo = eng. bee. Wel verwant maar niet identiek is bij (= Zeeuws bieë = ohgd. bîa, mhgd. bîe, hgd. beie). Verder ~ limb. bien ↑ ‘id.’ (= hgd. biene = ohgd. bini) en ~ obulg. bĭčela.
WNT II 2564, Ghijsen 94.

bien bij (insect) (Limburg). = os., ohgd. bini = hgd. biene. ~ bij en bie ↑.
WLD II afl. VI, 1.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bie, zn. v., uitspr. bië, bie: bij (insect). Mnl. bie, Vroegnnl. bie, bye ‘apis’ (Kiliaan). In het Nederlands viel de zwakke e-uitgang af en werd de i [i:] een tweeklank ei. Ohd. bia, Mhd. bie, Mnd. be, bie, Oe. bêo, E. bee, On. by. Etymologie onzeker.

bieme (O), zn. v.: bij (insect). Contaminatie van Wvl. bie ‘bij’ en Mnl. imme, ym(m)e ‘bij’. Ohd. imbi ‘bijenzwerm’, Mhd. imbe, imme, Mnd. imme, D. Imme, dat we terugvinden in imker.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bij* insect 0970 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal