Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bij - (voorzetsel, bijw.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bij 1 vz. ‘in de nabijheid van’; bw. ter aanduiding van nabijheid of gebondenheid.
Onl. (vz.) bi themo dica ‘bij de dijk’, be thiu ‘om dat, daarom’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. (vz.) bi ‘in de nabijheid van’ [1240; Bern.], bj ‘bij, naast, langs, vlak achter’ [1240; Bern.], bi seeuwen ‘over zee’ [1285; CG II, Rijmb.], bi welker list ‘door middel van welke list’ [1340-60; MNW-R], Bethlem, dat staet bi Jherusalem ses mielgen ‘Van Bethlehem naar Jeruzalem is 6 halve mijlen’ [ca. 1350; MNW], bi sinen toedoen ‘door zijn toedoen’ [begin 15e eeuw; MNW], bi vele daghen ‘gedurende vele dagen’ [ca. 1400; MNW]; (bw.) den berghe bi ‘nabij de berg’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. bij [1574; Kil.].
Os. (nd. bi); ohd. bi (mhd. bi, als bw. ook bie; nhd. bei); ofri. bi, be (nfri. by); oe. be, bi, ; got. bi; < pgm. *bī.
Verwant met Latijn ob ‘naar ... toe’; Sanskrit abhi ‘naar, naar ... toe’ (IEW 287), deels teruggaand op pie. (*ebhi-?) *obhi- ‘op ... af, naar iets toe (als agressieve daad)’; alleen het Germaans wijst op *bhi-. Daarnaast staat pie. *h2mbhi- ‘om, omheen, rondom, aan beide kanten’ (IEW 34) zoals Latijn amb(i)- ‘rondom’, zie → om.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bij1* [voorzetsel, bijw.] {oudnederlands, middelnederlands bi 901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels, gotisch bi; buiten het germ. latijn ambi- [om], grieks amfi, oudindisch abhi [naar … toe, tegen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bij 2 voorz. bijw., mnl. , os. onfrank. ohd. ofri. oe. got. bi ‘rondom, betreffende’, zelden ‘bij’. Idg., grondvorm *bhi. De nnl. vorm vertoont een rekking van de korte klinker in auslaut.

Men brengt het woord bij idg. *ambhi, vgl. gr. amphí ‘om’, lat. amb- (in ambigo), waarnaast ṃbhi in oi. abhi, gall. ambi- ‘om’, germ. umbi (zie: om). Ook *ambhō(u) in lat. ambo, gr. ámphō ‘beide’ (zie verder IEW 34-35). Maar er is daarnaast een andere wortel *obhi: bhi in aanmerking te nemen, vgl. oi. abhi ‘naar’, lat. ob, osl. obŭ, obǐ ‘op . . . toe, om’ (IEW 287). Beide wortels kunnen in het germ. *bi samengevloeid zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bij I voorz. en bijw., mnl. bī̆. Met vocaalrekking in den betoonden auslaut. = onfr. bī̆, ohd. bī̆ (nhd. bei), os., ofri., ags. bī̆ (eng. by), got. bi (= “rondom, om, betreffende”, zelden “bij”). Oorspr. identisch met be-. Idg. *bhi staat in ablaut met *obhi (*ebhi komt niet voor), lat. ob “naar — toe, tegen”, oudlat. ook “om, bij, in de buurt van” (hierin zijn *opi en *obhi samengevallen), obg. obŭ, obĭ, o, oi. abhí in dergel. bett. Idg. *bhi, *obhi beteekende “op — toe” “mit dem begriff einer gewissen aggression oder bewältigung des gegenstandes” (Brugmann Kvgl. Gr. 467).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bij I voorz. en bijw. Het germ. woord kan deels idg. *ambhi (gr. amphí enz. zie bij om; got. bi = ‘rondom’) voortzetten. Voor de kortere germ. vorm is dan wellicht te vergelijken lat. am-bo, gr. ám-phō naast got. bai enz. (zie beide).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bij 2 voorz. (nevens), Mnl. bi, Os. + Ohd. (Mhd. , Nhd. bei), Ags. (Eng. by), Ofri , Go. bi + Skr. abhi, Lat. obì (in samenstellingen), Slav. ob; voor het verlies van o, vergel. beide en zie ook om. De klinker is oorspr. kort, doch werd gerekt onder den klemtoon in open lettergreep.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bij (vz.) bij; Vreugmiddelnederlands bi <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bij vz., (vooral in combinatie met gaan, ook:) naar. Ik ga niet meer daar en ook niet meer bij mijn moeder (Wan broedoe 39). - Etym.: Ook BN; in AN veroud. Zie Essed 131.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
Bij. – In Zuid-Nederland treft men niet zelden, vooral op titels van boeken, het voorzetsel bij aan, in bijvoeglijke bepalingen van plaats afhangende van qualitatieve zelfstandige naamwoorden als beambte, leeraar, leerling. In dergelijke bepalingen wordt door het Nederlandsch taaleigen aan vereischt: men zegt niet leerling, leeraar bij een Athenaeum, maar aan een Athenaeum; niet beambte bij een ministerie, maar aan een ministerie enz. Blijkbaar is dit gebruik van bij ontstaan onder den invloed van ’t Fransch, in welke taal men b.v. zegt ambassadeur de France près le Saint-Siège, près la cour d’Espagne, avocat général près la cour d’appel, in welke gevallen men ook in ’t Nederlandsch wel bij gebruikt, maar dan ook alleen in die: de gezant van Spanje bij ons hof, advokaat bij een gerechtshof, advokaat bij den Hoogen Raad. || Ik heb dien J. B. Buelens ... zeer goed gekend, als ik leerling bij het aartsbisschoppelijk collegie was, G. BERGMANN, Gedenkschr. 157. Hij was ... destijds titulair hoogleeraar bij de Hoogeschool van Gent, SNIEDERS, Sniederien 70. Hij (had) het ongeluk ... zijnen zoon Georges, raadsheer bij het Hof van Beroep, te verliezen, SEGERS achter G. BERGMANN, Gedenkschr. 221. Hij (J. van Beers) (was) leeraar van Nederlandsche Taal bij ’s Rijks Normaalschool te Lier, Onze Dichters 114 (zie ook 106). In 1867 werd hij (Hiel) professor van Nederlandsche Uitgalming bij de Koninklijke Muziekschool ... te Brussel ... benoemd, 166. Een Hoekje van Zuid-Vlaanderen ... door OMER WATTEZ, Professor bij het Koninklijk Athenaeum van Doornik, titel. Handboek der Algemeene Geschiedenis ... door H. ROUMEN en A. WILLEMAERS, leeraars bij het Koninklijk Athenaeum van Antwerpen, titel. Leeraar van uitgalming bij de Koninklijke Muziekschool, DE MONT, Bloemlez. 204. Inventaris der Archieven van Schilde ... opgesteld ... door den heer Joz. Meulemans, beambte bij het archief der stad Antwerpen, Versl. Vl. Ac. 1888, 181. De heer Swagers ... drukte de hoop uit dat wij den vriend Tack ... eens als leeraar bij onze Antwerpsche school mogen terug zien, Volksbelang 20 Nov. 1897, 2c (briefwisseling uit Antwerpen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bij ‘voorzetsel’ ->? Deens bi, bi- ‘voorzetsel, bijwoord, voorvoegsel’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors bi ‘voorzetsel’; Zweeds bi ‘voorzetsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bi, bie ‘voorzetsel’.

bij- ‘voorvoegsel waarmee samengestelde werkwoorden worden gevormd’ -> Deens bi- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bi- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bi- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bij* voorzetsel 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(ebhi?) : obhi : bhi ‘auf - zu, auf etwas hin und es überwältigend’

Ai. abhi- Präfix ‘auf - zu’, abhí Präp. mit Akk. ‘zu’, gthav. aibī, jav. aiwi, avi, aoi, apers. abiy als Präfix ‘zu, be-’, als Präp. m. Akk. ‘zu - hin’, mit Lok. ‘über, in betreff von’ (im Ar. abhi liegt auch zum Teil *m̥bhi vor, s. oben S. 34);
lat. ob scheint nur in der Funktion, nicht aber den Lauten nach teilweise Nachfolger von idg.obhi (s. unter epi);
got. bi, ahd. usw. bi, ‘auf - hin (got.), in Beziehung auf, über’ mit Akk.; ‘an, bei’ mit Dat. (Lok.), auch mit Instr., Präfix ‘be-’, s. auch unter ambhi, oben S. 34, das im Auslaut dasselbe Element enthält;
aksl. obь, оbъ als Präverb ‘um-, be-’ in оbь-stojati oder оbъ-stojati ‘umringen’, in Kompositis, wie obьdo n. ‘Schatz’, in Ableitungen, wie obьštь, russ.-ksl. оbьčъ ‘gemeinsam’ (*obhi-ti̯o-); verstärkte Form obi- im russ -ksl. obichoditi ‘umhergehen’; die Form o, ob enthält altes *op- (lit. ap), s. unter epi.

WP. I 124, Trautmann 1, Meillet Slave comm.2 155 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal