Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

biggelen - (naar beneden rollen (van tranen))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

biggelen ww. ‘naar beneden rollen (van tranen)’
Vnnl. de tranen bickelen uit de ooghen ‘de tranen rollen uit de ogen’ [1588; Kil.], biggelen ‘afdruipen, afrollen’ [1636; WNT].
De etymologie van biggelen staat niet vast. Mogelijk is er een verband met bikkels, die met knikkers vergeleken werden. Zo schreef Vondel: de tranen biggelden, als knickers, op de wang (WNT). Indien dit verband bestaat, zou bikkelen, biggelen afgeleid zijn van → bikkel.
Bickelen was een variant van biggelen, maar het kon volgens Kil. 1599 ook ‘met bikkels spelen’ en ‘beitelen’ (zie → bikken 1) betekenen. Wisselingen tussen velare consonanten komen vaker voor, bijv. in Vlaams bikkel naast biggel ‘soort houweel’ (Schuermans 1865-70); in → vernachelen naast vernaggelen; wakelen naast → waggelen; faggelen, viggelen, figgelen naast fikkelen; wriggelen naast wrikkelen en moggel naast → mokkel.

EWN: biggelen ww. 'naar beneden rollen (van tranen)'; de vorm biggelen (1636)
ANTEDATERING: Nu biggelt … Mijn laeuwe traentgens 'nu moeten jullie biggelen, mijn lauwe traantjes' [1605; iWNT biggelen II]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

biggelen* [met kiezelsteentjes bestrooien, (van tranen) naar beneden rollen] {bickelen [met bikkels spelen] 1376-1400; in de betekenis ‘vloeien van tranen’ 1599, biggelen 1605} voor ons gevoel is er geen overeenstemming tussen steen, steentjes, steengruis en druppels, maar vroeger blijkbaar wel. Een parallel ligt in motregen naast steenmot [steengruis], turfmot [turfmolm], vgl. ook biggelzand [kiezelzand, grof zand].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

biggelen ww., sedert Kiliaen bickelen ‘stromen van tranen uit de ogen’, westf. bickeln ‘druppelen’. Er is alle aanleiding het woord met bikkel in verband te brengen, vooral als wij bedenken, dat in het on. grote tranen met hagelstenen vergeleken worden. De vorm met gg is een affectieve variant.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

biggelen ww., sedert Kil.: “bickelen, vetus. Desilire, exsilire. De tranen bickelen wt de ooghen”. Deze vorm is wellicht de oudere, vgl. westf. bickeln “druppelen” en zie voor een dgl. wisseling bij bikkel. Wsch. jong. Oorsprong onzeker. Afl. van beek, later vervormd? Mogelijk, maar zeer hypothetisch. Aangezien biggelen van ouds van tranen, zweet e.dgl. gebruikt wordt, mogen wij het niet afleiden van bikkel “steengruis”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

biggelen ono.w., + Ndd. bickelen = herhaaldelijk rollen: oorspr. onbek. Als het eerst bet. “rollen als bolletjes of keitjes”, kan het bij bikkel behooren. Vergel. Vla. tranen als bolleketten.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

biggelen* (van tranen) naar beneden rollen 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut