Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

big - (jong van het varken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

big zn. ‘jong van het varken’
Mnl. als bijnaam in Jan bicghe [1266; CG I, 90], vigge, vigghe [1350-1410; MNW], bagge [1484; MNW], baggele [1485; MNW]; vnnl. vigge, bigge [1573; Thes.]. Kil. 1599 noemt bigghe Saksisch, Hollands en Fries; voor hem (zoals nu nog dialectisch in België) is vigge het gewone woord.
Mnd. bachelken, baggelken; Nedersaksisch biggefarken; nfri. bigge, Oost-Fries bigge. Verder nog Nederrijns puggen, pegsken [1477; Teuth.]. Mogelijk dezelfde woorden, maar met afwijkende betekenis: nhd. dial. Bick ‘gecastreerd mannetjesvarken’; Westfaals Bäckelchen als koosnaam voor een geit; nno. dial. bagg ‘eenjarig kalf’; nzw. bagge ‘ram’. Verwantschap met ne. pig < me. pigge < oe. *picga, pigga is wrsch. maar niet zeker.
Het woord big blijft voornamelijk tot de kustprovincies en Neder-Saksen beperkt. Wat de herkomst betreft, denkt NEW wrsch. terecht (ook gezien de geringe verspreiding en het betekenisveld) dat big eerder van een substraatwoord afkomstig is dan uit het Proto-Indo-Europees. Bij het overnemen van een substraatwoord in vreemde talen en dialecten kunnen gedurende het aanpassingsproces verschillende vormen ontstaan; dit is een mogelijke verklaring voor de vele varianten.
De grote verscheidenheid aan vormen zet zich in de hedendaagse dialecten voort: Vlaams vig(ge), viggen, vikken, bigge, bagge, baggel; Limburgs bag(ke), bekske; Achterhoeks pogge; Twents bikken, biggen; Drents bigge.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bagge3* [wilde zeug] {bagghe [big] 1484} er zijn dialectisch uiteenlopende vormen als bik, biek, pogge, viggen, engels pig (vgl. big).

big* [jong van het varken] {bigge 1573, vigge 1350-1410, bagge 1484} er zijn tal van verwante vormen met wisselend vocalisme op een beperkt gebied: zuidnederlands dial. viggen, vikken, engels pig, middelengels pigge, middelnederlands bagge(n); vgl. bake [zij spek, varken], oudhoogduits bahho [ham], middeleeuws latijn baco [spek], engels bacon; etymologie onzeker, misschien is bigge een contaminatie van bagghe en vigghe, zie ook bak2 [varken].

viggen* [big] {vigge 1470} de vorm, naast ettelijke uiteenlopende onder big genoemde benamingen, is moeilijk thuis te brengen. Waarschijnlijk in oorsprong een lokroep, zoals nog bv. rond Leiden biek, biek, biek!

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

big znw. v., sedert Kiliaen bigge, vgl. nog dial. bik (Beierland). Er staan verschillende vormen naast: mnl. bagghe, mnd. bachelken, baggelken, verder pogge (Achterhoek), vgl. pegsken, puggen (Theutonista) en weer met andere vokaal me. pigge, ne. pig. Verder mnl. vigghe, Zuidnl. viggen, vikken. Al deze vormen wijzen op het sterk affectief karakter van het woord (wat nog niet behoeft te betekenen, dat wij hier aan een ontstaan uit een lokroep moeten denken, zoals v. Haeringen, Suppl. 20 aanneemt). Eerder zou ik aan een substraatwoord willen denken; reeds in het neolithicum behoorde het varken tot de huisdieren, dus lang voor de Germanen ons land binnenkwamen.

Bij het woord bagghe kan van invloed zijn geweest het woord, dat ‘pak, bundel’ betekent, vgl. me. bagge (ne. bag) ‘zak, buidel’, on. baggi ‘pak, bundel’ (overigens moeilijk te verklaren en eveneens in wisseling met pakki staande! zie AEW 22); van betekenis is noorw. dial. bagg ‘eenjarig kalf’ (naast bagge ‘pak, bundel, dikke plompe persoon’) en nzw. bagge ‘ram, hamel’ (zie daarvoor Hellquist 1, 46, die er op wijst, dat de klankverbinding gg een hypochoristisch karakter heeft). Naast de overname uit een niet-idg. taal kan dus het affectieve karakter van het woord de vele nevenvormen hebben veroorzaakt. — Wat de geografische verspreiding van big betreft, het is een typisch ‘kustwoord’, het wordt gebruikt in Zeeland, westelijk Z-Holl., N-Holl., Friesland, Groningen en delen van Drente en Overijsel. De vorm bagge vinden wij in Limburg en Oost-Brabant. Daarnaast komen andere benamingen voor zoals vigge in Zeeuws, West- en Oost-Vlaanderen, kibbe in Oostelijk Zeeuws-Vlaanderen en in het NO. van Overijsel; eindelijk keu in Utrecht, Gelderland, de kop van Overijsel en ZW Drente; zie de kaart van S. E. E. van Gilse, Taalatlas afl. 2, 1. — Het woord bigge is in het Westfaals overgenomen, terwijl de vorm bagge met nl. kolonisten naar het gebied van de Midden-Weichsel is gekomen als bejje (vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 224).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

big znw., sedert Kil.: bigge (“Sax., Fris., Holl.”). Dial. (beierl.) ook bik. Nog is het woord vooral in fri., holl., saks. streken gebruikelijk. Zuidelijker komen bag, bagge (o.a. Bommelerwaard, Limburg) en viggen, vikken (o.a. Antw., Vla.) voor, = mnl. bagghe v., bagghen (o.?) resp. vigghe v. “big”. Teuth. pegsken, puggen, achterh. pogge “big” sluiten zich bij meng. pigge, eng. pig “varken” aan. In het Duitsch komt dial. bick “verres castratus” voor. De onderlinge betrekkingen tusschen al die vormen zijn niet meer vast te stellen; zeker hebben ze elkaar beïnvloed. Bagghe herinnert aan on. baggi m. “pak, bundel”, zw. dial. bagge “jongen”, noorw. bagge “dik, plomp lichaam” (gew. van dieren gebruikt). Zie over deze woordfamilie bij pak. Bigge kan een contaminatieproduct van mnl. bagghe en vigghe zijn. Dit laatste zou als germ. *fiʒjô(n)- bij *feχu- (zie vee) kunnen hooren, maar wsch. is dat niet. Andere dialectische, bezwaarlijk te etymologiseeren benamingen voor “varken”, “big” zijn hos (achterh. ook hosmänneken), keu, kurrie (Zuidelijke Kempen).

[Aanvullingen en Verbeteringen] big. De limb. vorm is bak, mv. baggə (met explosiva).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

big. Bij mnl. bagghe sluit zich aan mnd. bachelken, baggelken o. ‘big’. De aan het slot van het art. genoemde benamingen voor ‘varken’, ‘big’ zijn wsch. als lokroepen op te vatten: met hos vgl. gron. hus ‘lokroep voor varken’, zwits. hutsch, hotsch ‘id.’; met kurrie (en keu) vgl. koere (Wieringen, Drente) ‘id.’, Sliedrecht kor ‘varken’. Bezoen Tschr. 53, 88.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

big v., + Ndd. bigge, Hgd. bick; daarnevens Mnl. bagghe, voorts Ags. pecg (Eng. pig) en Mnl. en Westvla. vigghe: oorspr. onbekend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bagk (zn.) big; Nuinederlands bagge <1515-1520> < Duits Backe.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bag, bak, zn.: big; kind, kwajongen. Mnl. bigge, bagge ‘big’; Mnd. baggelken ‘big’. Ook Brabants. Verwant met Mnl. bake ‘spek’, Ohd. bahho ‘ham’, Mlat. baco ‘spek’, E. bacon. Vgl. Br. viggen, Wvl. vikken.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bag 2, bagge, zn.: big. Mnl. bigge, bagge ‘big’. Verwant met Mnl. bake ‘spek’, Ohd. bahho ‘ham’, Mlat. baco ‘spek’, E. bacon. Zie ook viggen.

viggen, zn.: big. Ovl. vigge(n), Wvl. vikken. Mnl. vigge ‘big’, Vnnl. vigghen oft braedverken ‘cochon’ (Lambrecht), vigghe ‘varkentje’ (Kiliaan). Vigge met wisseling van labialen (v/b, p) naast Vnnl. bigge ‘varkentje’ (Kiliaan), Me. pigge, E. pig ‘big > varken’. Het woord berust wellicht op een lokroep voor het dier.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

viggen zn. o.: big. Wvl. vikken. Mnl. vigge ‘big’, Vnnl. vigghen oft braedverken ‘cochon’ (Lambrecht), vigghe ‘varkentje’ (Kiliaan). Vigge met wisseling van labialen (v/b, p) naast Vnnl. bigge ‘varkentje’ (Kiliaan), Me. pigge, E. pig ‘big > varken’. Het woord berust wellicht op een lokroep voor het dier. Afl. viggenen ‘biggen werpen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vigge (B, G), viggen (E, L, W, ZO, ZV), zn. o.: big. Wvl. vikken. Mnl. vigge 'big', Vnnl. vigghen oft braedverken 'cochon' (Lambrecht), vigghe 'varkentje' (Kiliaan). Vigge met wisseling van labialen (v/b, p) naast Vnnl. bigge 'varkentje' (Kiliaan), Me. pigge, E. pig 'big > varken'. Het woord berust wellicht op een lokroep voor het dier.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bag II big (Limburg, Bommelerwaard, Oost-Noord-Brabant). = mnl. bagghe ‘id.’ = grondwoord van mndd. baggelken ‘id.’. Mogelijk een substraatwoord en mogelijk met het oog op het vormeloze = bagge ↑ ‘mand’.
WBD 812, 814, NEW 57, Van de Water 55.

viggen, vig, vit, vitten big (Zuid-Nederland, Zuid-Vlaanderen). Wschl. in oorsprong = big, dat een substraatwoord kan zijn.
WBD 812-815, TNZN afl. 2 nr. 1, NEW 56-57.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

fikke (D, I, R, DB, GG: Geluwe), zn. v.: klein levendig kind, rusteloos kind. Ook wel fikke ‘prutsding’ (P). Wsch. de diernaam Vroegnnl. vigghe ‘porculus, porcellus (big)’ (Kiliaan), bij De Bo ook vikken. De Wvl. v/f verscherping is normaal, vooral in affectief taalgebruik.

vikken, zn. o.: big. Intensivum met k en augm. op -en, wellicht ook o.i.v. varken. Mnl. vigge ‘big’, Vroegnnl. vigghen oft braedverken ‘cochon’, vigghe ‘porculus, porcellus’ (Kiliaan). Vigge met wisseling van labialen (v/b, p) naast Vroegnnl. bigge ‘porcellus’ (Kiliaan), Me. pigge, E. pig’big > varken’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

big: 1) (soldaten- en marinetaal) rekruut of milicien-korporaal (bij de artillerie). Soms verfraaid tot strontbig. Een big is een nog niet volwassen varken, vandaar deze betekenis. Sedert ca. 1860.

Telkens kletsten die biggen er een kameraad in en de sergeants waren ieder ogenblik het slachtoffer. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
‘Wij zijn geen biggen, marinier,’ berispt hij hem. (K. Norel, Bij de marine, 1956)
Al gauw hoorde ik ook dat wij de ‘strontbiggen’ waren en het mikpunt van de oudere groepen. (A. van der Poest Clement, Wij vlogen als vogels, 1984)

2) (verouderd) scholier. Reeds bij Molema: ‘Latijnse biggen, gymnasiasten’.

Altijd als het elf uur is, gaan de jongens van ’t Fransche school, de ‘Fransche biggen’, over het sintelpad voorbij naar het gymnastiekgebouw naast de bloemisterij. (Carry van Bruggen, Het huisje aan de sloot, 1921)

3) (studententaal, verouderd) noviet of groen.

Nuldejaars, in het harde corpsjargon van vroeger ook wel aangeduid als feuten, biggen of knorren, zijn evenals rekruten en brugklassers het voorwerp van spot, minachting en vernedering. (HP/De Tijd, 02/09/1994)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

big ‘jong van het varken’ -> Duits dialect Bejje, Bigge ‘jong van het varken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

big* jong van het varken 1573 [Plantijn]

viggen* big 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1059. Een kalf leggen (- maken),

d.w.z. braken; de weerstroom krijgen, zooals men in de 18de eeuw zeide, over de (of zijn) tong kakken (Waasch Idiot. 319; Antw. Idiot. 1251; Schuermans, 734; fri. oer de tonge kakke; hd. über die Zunge spucken (oder kacken; Wander V, 644Reeds in de 16de eeuw in Dryderley Refereynen ghepronuncieert opte Rhetorijckfeest der blaauwe Acoleyen van Rotterdam, anno 1561, 44 r: Ghy slockers die dick over u tongh cackt int ghelach.; in tooneeltaal in den zin van zich verspreken of wartaal zeggen (Onze Volkstaal III, 254). Deze uitdrukking wordt in sommige streken van ons land nog gebruikt, doch was in de 16de en 17de eeuw naast kalven en een kalf(je) maken, een kalfken werpen zonder hoornen, zeer gewoon; zie Kiliaen: kalven, braecken, vomere, reddere vomitum; Winschooten, 99; Harrebomée I, 375; Bouman, 50; Frequ. II, 209; Boekenoogen, 391; 1322: kalf, een guts bloed; Molema, 189 a; Gallée, 64 b: 'n kelfken anbinden; Van Dale i.v. en op kalveren (Halma, 253) en uitkalven; Schuermans, 216; Teirl. II, 104: kalven, overgeven; bl. 102; kalf, braaksel; een kalfke leggen, braken; Waasch Idiot. 319 b; 322 a; Ndl. Wdb. VII, 933; 1032; Eckart, 243: en kalw anbinden of mâken; Kluge, Stud. Sprache, 97 b: ein Kalb anbinden (oder machen) naast kälbern oder einen Fuchs schieszen oder streifen, verouderd (Borchardt, 932; Schrader, 212) of sich bekälbern naast sich behâmelnBeiträge, XXXVIII, 336.. Vgl. ook het fri.: biggelje en bigje en het gron. biggen maoken, biggen werpen, maar ook braken; en het bij Kiliaen en Schuermans, 213 vermelde kabbelen, dat jongen werpen en braken, overgeven beteekentTijdschr. XVI, 60: een vosken kabbelen sonder vel.. De Engelschen noemen het to calve, to cat of to shoot, jerk, whip the cat of to flay the fox; de Franschen écorcher ou piquer le renard, mettre le coeur sur le carreau; rendre son lard; enz.; in Zuid-Nederland spreekt men ook van een mutten (vgl. fr. mouton; eng. mutton) leggen, vastleggenNav. 1897, bl. 64; 1899, bl. 133. of een kiebeken leggen (Kempen) of lammeren (zie Loquela, 290).

De beeldspraak kalven voor braken wordt genoegzaam opgehelderd door de volgende plaats uit de Klucht van de Saus (anno 1679), bl. 5:

't Minste dat ick dronck een pont was of een half,
Soo dat ick zwangerde en baerde voort een kalf,
Hetgeen ick na de Marckt vergeten heb te stuuren.

Vgl. ook Huygens V, 65: Wacht ou wat; dees volle koeij (dronken Trijn) moet kalve; Harreb. I, 375 a: Als men braakt, zei de boer, dan drijft men een kalf zonder voeten naar de wei; Schrader, 390: Die häszlichen Laute eines schwer Erbrechenden haben eine Aehnlichkeit mit dem häszlichen Geblöke eines Kalbes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal