Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

biet - (plant van het geslacht Beta)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

biet zn. ‘plant van het geslacht Beta’, ‘(suiker)biet (cultuurvorm van Beta vulgaris)’
Mnl. bete ‘biet’ [1240; Bern.], ook beetcolen, beetcoolen (mv.) ‘bieten’ [1351; MNW-P]; vnnl. beete ‘biet’ [1608; WNT], biete (mv.) ‘bieten’ [1634; WNT vijzel II]; nnl. biet [1710; WNT].
Vroege ontlening aan Latijn bēta, waarvan de verdere herkomst onduidelijk is; misschien een Keltisch woord. De -ie- is de klankwettige ontwikkeling van Latijn -ē- (Germaanse ē2, zie Schönfeld 1970, par. 6), maar wordt in Middelnederlandse teksten niet gevonden. De nevenvorm beet, mnl. bete is wrsch. een latere ontlening in de schrijftaal. Men kan ook aan een vorm uit het oostelijk Nederlands denken, waar *-ē2- geen -ie- opleverde.
Mnd. bete (> nhd. Be(e)te [17e eeuw; Kluge]); ohd. bieza; nfri. byt; oe. bēta (ne. beet).
beetwortel zn. ‘suikerbiet’. Vnnl. bietwort'len [1615; WNT wortel], crooten ofte roode beetwortelen [1652-62; WNT kroot (I)]; nnl. Een roode wortel, of beetwortel [1710; WNT wortel]. Gevormd uit beet en → wortel.
Lit.: M. Gijsseling ‘Proeve van een Oudnederlandse grammatica’, in: Bremmer 1992, 28/36

EWN: biet zn. 'plant van het geslacht Beta', '(suiker)biet (cultuurvorm van Beta vulgaris)'; cde vorm biet (1710)
ANTEDATERING: Biet moet drie jaer staen, eer 't zaet goet is [1663, Aenghelen 1, 51]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beetwortel [suikerbiet] {1652} het eerste lid < latijn beta, dubbelvorm van biet; de laatste vorm is een oudere ontlening, die de normale klankontwikkeling heeft meegemaakt. De vorm beet is een jongere overname door heroriëntering op de lat. schrijftaal.

biet, beet [plant] {bete 1201-1250} < latijn beta [biet, kroot], een oude ontlening, oorspr. van kelt. herkomst. Vgl. beetwortel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

biet znw. v., mnl. niet overgeleverd (maar zeker wel bekend), mnd. bēte, oe. bēta v. (ne. beet), ohd. bieʒa (vgl. oostenr. biessen) < lat. bēta. De gesloten lat. ē werd in het nl. tot ie (soms zelfs verder tot ij, vgl. pijn en krijt). De vormen met ee (ook dial. nl. beet) kunnen uit een oostelijk taalgebied overgenomen zijn, maar in het woord beetwortel mag men wel aannemen, dat er een geleerde beïnvloeding van het lat. woord heeft plaatsgehad.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

biet znw., toevallig niet uit ’t Mnl. bekend. Deze vorm, die in verschillende diall. (o.a. beierl. en achterh.) en in de beschaafde spreek- en schrijftaal voorkomt, stemt overeen met ohd. bieʒa (nog bei., oostenr. biessen), ags. bêta v. (eng. beet) “biet”. De ie is germ. ê2, ontstaan uit lat ê of ae; op *baeta naast bêta wijst it. bieta “biet”. Uit lat. ê ontstond ook germ. î, vgl. pijn I, krijt; zoo verklaart zich hd. dial. beisse, beisskohl. De vorm mnl. bête v., nnl. (oud en dial., bijv. Antw.) beet en (ook dial. zeer verbreid) beet-wortel kan òf evenals hd. beete v. uit het Ndd. resp. een oostndl. dial., waar ê2 geen ie werd, afgeleid worden òf (waarschijnlijker) als een geleerde ontleening uit lat. bêta worden beschouwd. Men heeft ook aan ontl. uit fr. bette gedacht.

[Aanvullingen en Verbeteringen] biet. Lees: ags. bête. — Ndl. biet wordt ook wel als een dial. (holl.) vorm = mnl. bête opgevat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

biet. Voeg bij: mnd. bête v. ‘biet’. Lees: ags. bête v. (v. Wijk Aanv.)
Een lat. *baeta naast bêta behoeft op grond van it. bieta niet te worden verondersteld: het it. woord berust op vermenging van lat. bêta en blitum ‘melde’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beet 1 v. (plant), Mnl. bete, gelijk Hgd. beete, uit Fr. bette, van Lat. betam (-a), een Kelt. woord: bett = rood (z. biet).

biet v., gelijk Ohd. bieʒa (dial. Nhd. biessen) en Ags. béta (Eng. beat) rechtstreeks uit Lat. beta (z. beet 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

beet: pln. (Beta vulgaris), – biet (dial. en weinig bek.) – ; Ndl. biet (Mnl. bete en dial. beet, met versk. verkl. van ee/ie), Hd. bete (dial. beisse), Eng. beet hou verb. m. Lat. bêta.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

beet(wortel) (Latijn beta)
biet (Latijn beta)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

biet ‘plant’ -> Indonesisch bit ‘plant’; Javaans bit ‘plant’; Soendanees bit ‘beetwortel, suikerbiet’; Japans † bīto ‘plant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beetwortel suikerbiet 1652 [WNT]

biet plant 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut