Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bies - (plantengeslacht, boordsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bies 1 zn. ‘plant (m.n. Cyperaceae Juncaceae)’
Onl. *bies- in de plaatsnaam Biesuth (onbekend; zetel van een Oost-Vlaams graafschap waarin Herzele en Walsegem lagen) [972; Gysseling 1960, 142]; mnl. bise, scaf bise ‘papyrus, rietgras’ [1225-50; CG II, Pl.gloss.], biese [1240; Bern.].
Mnd. bese; mhd. biese (ontleend aan het Nederlands of Nederduits); nfri. bies, biis; < pgm. *beusō- ‘bies’. De onl. plaatsnaam gaat terug op pgm. *beusōþu, collectief bij *beusō-, dus ‘de biezen, het geheel van biezen’.
De verdere etymologie is onbekend. Er wordt wel aan de wortel pie. *bhu- ‘groeien’ gedacht, maar gezien de beperkte geografische verspreiding van het woord en het betekenisveld ligt het eerder voor de hand aan een substraatwoord te denken.
Kil. 1599 geeft naast vnnl. biese nog biendse; hier is blijkbaar invloed van het met bentgras (zie → bent 2) samenhangende Duitse Binse, een woord dat niet met bies verwant is.
De uitdrukking zijn biezen pakken ‘maken dat men wegkomt’ [17e eeuw; WNT] betrof oorspr. het oprollen van een biezen mat, waarop bijv. een kunstenmaker zijn kunsten had vertoond. Iets vergelijkbaars in het Fries: pak dyn biezen en gean te stuolwinen ‘staak je grappenmakerij en ga aan je werk (hier: stoelen matten)’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bies1* [plantengeslacht, boordsel] {in de plaatsnaam Biesuth (ligging onbekend) <972>, bies(e) [plant en boordsel aan kleding] 1226-1250} middelnederduits bese, fries bies; verdere verwanten zijn niet gevonden en het woord is niet bevredigend verklaard. De uitdrukking zijn biezen pakken [zich uit de voeten maken] wil zeggen ‘zijn biezen matten oprollen’, vermoedelijk de matten die rondreizende kunstenaars op de grond legden om er hun kunsten op te vertonen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bies znw. v., mnl. bies(e), zowel de plantnaam als in de bet. ‘boordsel’, mnd. bese, fri. biis, bies. Dialectische woorden zijn büzǝ (Kampen), bösen (Twente), beus, buus, bies (Drente). Daar het woord slechts in een zeer beperkt gebied van het westgerm. voorkomt, is het moeilijk te verklaren; het duitse binse heeft een heel andere oorsprong (zie daarvoor: bent 1). Bij het ontbreken van aanknopingen buiten het Germ. dringt zich de gedachte op, dat het woord uit een substraattaal overgenomen is, wat voor zulke eenvoudige natuurlijke gewassen niet onbegrijpelijk is.

De verklaring van de germ. grondvorm *beusō- of *bewǝsō uit de wortel *bheu ‘groeien, gedijen’ (waarvoor zie: bouwen), die FW 63 ‘bij gebrek aan beter’ voorstelt, is weinig bevredigend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bies znw., mnl. bies(e) v. Bies “strook,” reeds mnl. bies(e) “boordsel” is ’t zelfde woord als de plantnaam. Dial. komen ook bij andere bedrijven dan dat van kleermaker en naaister dgl. overdrachtelijke bett. voor. = mnd bêse v., fri. biis, bies “bies”. Opmerkelijke dial. vormen zijn Kamp. büzǝ, tw. bösen, dr. beus, buus, buis. Niettegenstaande den bijvorm beuns (Ruinerwold) is dit woord niet verwant met hd. binse v. “bies”, dat uit ohd. binuʒ m. ontstaan is: vgl. os. binitîn bnw. “biezen”, ags. beonet- (in eigennamen als Beonetlêah > Bentley; eng. bentgrass), ndl. bent(gras), en in eigennamen als Benteloo. Bies, germ. *ƀeusô- of *ƀewǝsô- kan (bij gebrek aan beter) van den wortel bhû-, bhewâ- “groeien” (zie bouwen) afgeleid worden. Ohd. binuʒ zal wel niet uit bi + een met nat of netel verwant woord ontstaan zijn: veeleer moeten we van *ƀenuta-, idg. *bhenǝ-do- uitgaan. Als er een wortel bhen-, bhenâx- “vlechten” bestaan heeft (zie beun) zou het hierbij kunnen hooren: = “vlechtmateriaal”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bies. Owvla. (herb.) bise.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bies v. (dun oevergewas, dunne reep op een broeknaad), Mnl. biese + Mndd. bêse, Mhd. biese: nergens elders: oorsprong onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bies II: “boordsel” (aan klere), “versiersel” (aan hout-, leer- en skilderwerk); Ndl. bies (Mnl. bies(e), dial. bies, beus, buus, bösen, büze), ook as pln. (v. biesie en bies(e)roei), herk. onseker, maar nie verw. aan Hd. binse, “biesie”, nie.

bieseroei: – bies(ie)roei – , gew. kortweg biesies genoem (Bobartia spathacea, fam. Iridaceae, en ook Scirpus litoralis en S. nodosus, fam. Cyperaceae); Ndl. bies (Mnl. bies(e) en dial. vorme), kyk verder by bies II en roei II.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Bies (ruwe) Schoenoplectus tabernaemontani
Schoenoplectus: schoinos = bies, plektos = gevlochten: gevlochten bies. Soorten van dit geslacht worden voor vlechtwerk gebruikt.
Tabernaemontani: de plant is vernoemd naar J. Th. Moller von berg Zabern. Tabernaemontani is een verlatijnse versie van zijn naam.
Ruwe bies: waar het woord bies vandaan komt is niet duidelijk. Wel wordt het woord meestal gebruikt bij planten die in een waterrijke omgeving leven.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Biezen pakken (Zijne), er vandoorgaan, zijn matten oprollen. Waarschijnl. van kunstenaars, die matten op den grond legden, om kunsten op te maken, zooals uit verschillende derg. uitdrukkingen blijkt, waarin sprake is van het gereedschap oppakken; fra. plier bagage; ramasser son paquet, hgd. seine Siebensachen zusammenpacken; eng. to pack up one’s traps,

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bies ‘plantengeslacht’ -> Duits Biese ‘plantengeslacht’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect biez, bise ‘naam voor enkele planten’.

bies ‘boordsel aan kleding’ -> Duits Biese ‘boordsel aan kleding’ (uit Nederlands of Nederduits);? Deens bes ‘leren reep’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bise ‘boordsel aan kleding’; Indonesisch bis ‘boordsel aan kleding’; Javaans bis ‘boordsel aan kleding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bies* plantengeslacht 0972 [Claes Tw. 11]

bies* boordsel aan kleding 1854 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

229. Zijn biezen pakken,

d.w.z. er vandoor gaan, zijn matten oprollen. Onder biezen zal men matten moeten verstaan; waarschijnlijk de matten, die rondreizende kunstemakers op den grond leggen, om er hunne kunsten op te vertoonenOf moet men denken aan de biezen, waarmede men eertijds de steenen vloeren belegde? Zie het Mnl. Wdb. I, 249 en Erasmus, Colloquia (anno 1664), 183., voor welke meening pleit het Westvl. zijne schilderij oprollen en elders gaan zingen, vertrekken, heengaan, zijne matten oprollen (Schuerm. 589 b; Joos, 116). In de 17de eeuw is de uitdr. zeer gewoon; vgl. o.a. Van Moerk. 501; Gew. Weuw. II, 37; III, 43; Com. Vet. 86 (aant.); Rusting, 160; 509; Spaan, 6; enz. Syn. zijn lappen pakken (17de eeuw); zijn spillen pakken, d.i. zijne spullen bij elkaar pakken; zie Schuerm. 658: zijn haspen en spillenDit haspe (= haspel) doet vermoeden, dat we aan spil de bet. moeten toekennen van spil van een spinnewiel, daar men de klos op steekt; zie Halma i.v. pakken (ook De Bo, 43 b); in Westvl.: zijne akkebiliën pakken (De Bo, 43 b); zijne lappen en leesten pakken (De Bo, 610 b), eene uitdr. ontleend aan het schoenmakersbedrijf. In het fri. syn breidsjen oprôlje (zijn breiwerk oprollen) naast syn bizen pakke. Synonieme uitdrr. heeft men ook in andere talen: fr. plier bagage; ramasser son paquet; hd. seine Siebensachen zusammen packen; eng. to pack up one's traps.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut