Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bierbuik - (iemand die veel bier drinkt)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bierbuik, bierlaars, biervlieg: iemand die veel bier drinkt. De twee laatste woorden zijn thans verouderd. Bierlaars vinden we al terug in het werk van Erasmus. De eigenlijke betekenis is die van ‘bierkan in de vorm van een laars’. Vandaar overdrachtelijk gebruikt voor een bierzuiper. Biervlieg werd o.a. teruggevonden in ‘Boerekermis’ (uit 1708) van Lucas Rotgans. Oorspronkelijk was het de naam van een puistje op het gezicht van een bierdrinker (bij Kiliaen: dronckaerts puyste).

Ziet dien bierbuik daar eens staan! Hij komt ons hier voor den gek houden, en hij denkt dat het pakken zal. (Jan Bruylants, Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen, 1904)
De indekkers kennen hun publiek. Dikke, chagrijnige bierbuiken die onderuitgezakt op hun bank naar de tv schreeuwen dat er geen passie is. (Het Parool, 15/11/2003)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal