Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bidden - (god aanroepen; dringend verzoeken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bidden ww. ‘god aanroepen; dringend verzoeken’
Onl. biddon ‘god aanroepen’ [10e eeuw; W.Ps.], bidden ‘id.’ [11e eeuw; Will.]; mnl. bidden ‘god aanroepen’ [1236; CG I, 26], ‘smeken om’ [1270; CG I, 168].
Os. biddian ‘verzoeken’ (mnd. bidden); ohd. bitten (nhd. bitten ‘verzoeken’ naast beten ‘bidden’); ofri. bidda (nfri. bidde); oe. biddan (ne. bid); on. biðja (nzw. be(dja)); got. bidjan (naast bidan); < pgm. *bed-jan-.
De verdere etymologie is omstreden. Semantisch sluit *bed-jan- goed aan bij de wortel pie. *gwhedh- ‘verzoeken, begeren’, waarbij behoren Grieks théssasthai ‘verzoeken’; Avestisch ǰaiyemi ‘ik verzoek’; Litouws gedáu-ju ‘(vurig) verlangen’; Oudiers guidid ‘hij verzoekt’ (IEW 488). Problematisch, zo niet onmogelijk voor pgm. *bed-jan- is echter de afleiding van *b- uit pie. *gwh-.
Voor een (formeel beter te verdedigen) wortel pie. *bhedh- ‘buigen’ (IEW 114) bestaat echter geen zekere aanwijzing: etymologisch verband met Sanskrit bā́dhatē ‘hij dringt op, (onder)drukt, dwingt’, jñu-bā́dh- ‘de knie buigend’, Tochaars B peti ‘verering’ is wrsch. onjuist; verbinding met os. kneo-beda ‘gebed’ (letterlijk ‘met gebogen knieën’), oe. cnēow-gebed ‘gebed’, on. kné-bedr ‘knielkussen’ wordt betwijfeld. De betekenis ‘bidden’ zou zich hier via ‘buigen van de knie (om te bidden)’ uit ‘buigen’ ontwikkeld hebben.
Als derde mogelijkheid wordt gewezen op ohd. beitten ‘opdringen, eisen’; on. beida ‘eisen’; got. baidjan ‘dwingen’ en ook Latijn fīdere ‘vertrouwen’, zie → fideel, teruggaand op de wortel pie. *bheidh- ‘dwingen’, (mediaal) ‘vertrouwen’ (IEW 117). De sterke vervoeging van de verleden tijd (bad) is dan secundair gevormd naar het voorbeeld van bijv. zitten/zat, liggen/lag.
Lit.: E. Seebold (1980) ‘Etymologie und Lautgesetz. Materialsammlung’ in: M. Mayrhofer e.a. Lautgeschichte und Etymologie, Wiesbaden, 459-461, 479-482; H. Kern (1881) ‘Bidden’, in: TNTL 1, 32-37; Mayrhofer 1956-1980, II, 425-426

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bidden* [gebed richten tot God, smeken] {oudnederlands biddon 901-1000, middelnederlands bidden} oudsaksisch biddian [verzoeken, nodigen], oudfries bidda [verzoeken, bidden], oudengels biddan [vragen] (engels to bid), oudhoogduits bitten, gotisch bidjan [bidden], wordt verbonden met oudsaksisch bedian, oudhoogduits beitten [dwingen, eisen], gotisch baidjan [dwingen], hoewel de betekenisovergang niet duidelijk is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bidden ww., mnl. bidden ‘verzoeken, bedelen, bidden’, onfrank. biddan ‘verzoeken’, os. biddian ‘verzoeken, nodigen’ ohd. bitten ‘verzoeken, smeken’, on. biđja ‘vragen, verzoeken’, got. bidjan ‘vragen, bidden’.

De verklaring is onzeker. Het ww. behoort tot de 3de klasse en gaat dus terug op een vorm idg. *bhedh ‘buigen, drukken, kwellen’ vgl. oi. badhate ‘drukt, plaagt’, alb. bint ‘buigen’, lit. bodùs ‘akelig’, toch B. peti, A. poto ‘verering’ (IEW 114). Deze verbinding is formeel onaantastbaar en semantisch ook niet onbevredigend. — Anderzijds neemt men aan, dat het germ. ww. een oude stam met i gehad zou hebben en men wijst dan op het ww. beiden, vgl. os. bēdian ‘dwingen, nopen’, ohd. beitten, ‘dwingen, eisen’, oe. bædan ‘dwingen, eisen’, on. beiða ‘eisen’, got. baidjan ‘dwingen’, dat terug te voeren is op een idg. wt. *bheidh ‘dwingen’, waartoe verder behoren gr. peíthomai ‘ik laat mij overtuigen’, pístis ‘vertrouwen, trouw’, lat. fido ‘vertrouwen’, foedus ‘verbond’ (IEW 117). De betekenisontwikkeling is dan dezelfde als in het eerste geval. — Blijkbaar stonden in het idg. reeds twee wortels *bhedh en *bheidh met min of meer gelijke betekenis ‘dwingen’ naast elkaar; is er dan wel reden om het germ. biðjan, dat formeel tot de wt. *bhedh behoort (waartoe het woord bede leiden moet) over te brengen naar de wt. *bheidh? Daarom is het wel juister bidden en beiden van elkander te scheiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bidden ww., mnl. bidden “verzoeken, bedelen, bidden, belastingen opleggen”. Sterk ww. = onfr. bidden “deprecari”, ohd. (nhd.) bitten “verzoeken, smeeken”, os. biddian “verzoeken, noodigen”, ofri. bidda “verzoeken, bidden”, ags. biddan “vragen, verzoeken” (eng. to bid), on. biðja “id.”, got. bidjan, waarnaast bidan “id., bidden.” Hiernaast het zw. ww. mnl. bēden “bidden” (een gelijkluidend ww., een jonger denominativum van bēde, komt = “belasting opleggen” voor), onfr. bëdou, ohd. bëtôn (nhd. beten), os. bëdon “id.”; afgeleid van *ƀeðô- “bede, gebed”, zie bede; vgl. ook ofri. bidia “verzoeken” met i naar bidda of afgeleid van een hierbij gevormd *bida “verzoek”. Misschien heeft deze woordfamilie idg. i: dan is de flexie volgens de 5de sterke klasse eerst later opgekomen. In dit geval is de bij beiden besproken woordfamilie verwant; de bett. “verzoeken” en “geduldig, met vertrouwen afwachten” laten zich best combineeren. Waarschijnlijker wordt deze etymologie nog door de vergelijking met ohd. beitten “dwingen, eischen”, os. bêdian “dwingen, nopen”, ags. bæ̂dan “dwingen, eischen”, on. beiða “eischen”, got. baidjan “dwingen”, obg. běždą, běditi “dwingen”, běda “nood”. Wanneer wij evenwel voor bidden van oudgerm. *ƀeðjanan uitgaan — wat formeel meer voor de hand ligt, vooral ook wegens de alg.-wgerm. e van bede –, zou semasiologisch verwantschap met gr. póthos “begeerte” ’t aannemelijkst zijn, maar póthos wordt ook op andere wijze uitstekend verklaard. Verwantschap met oi. bấdhate “hij dringt, benauwt” is niet waarschijnlijk, met lit. bãdas “honger, hongersnood” ook niet.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bidden. Zeer beachtenswaard zijn de opmerkingen van Rozwadowski Rocznik Slawistyczny 2, 105—108, die met de woordgroepen van bidden en beiden nog ier. bibdu “schuldige” combineert en er op wijst, hoe verschillende tot deze familie hoorende woorden een “gerichtliche” beteekenis hebben en op den toestand van een aangeklaagde betrekking hebben: “nicht nur die konkrete, sinnliche Folge von verschiedenen Handlungen führte zu den besprochenen Bedeutungsübergängen, sondern ebenso, vielleicht noch mehr, das einheitliche bange Gefühl des in solche Lage Geratenen: Geständnis, Hingabe, Erwartung und Glaube sind heute noch oft, früher gewiss regelmässig banges Gefühl”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bidden. De historische bett. van dit germ. woord wijzen eerder op verwantschap met het germ. ww. ohd. beitten, os. bêdian, ags. bæ̂dan ‘dwingen’ on. beiða ‘eisen’, got. baidjan ‘dwingen’ dan met de germ. woordgroep van beiden. Wil men de twee laatstgenoemde groepen uiteenhouden — zie beiden Suppl. — dan moet dus ook bidden van beiden worden gescheiden.
Bij deze beschouwing is aangenomen, dat het woord idg. i heeft en de flexie naar de 3e sterke klasse secundair is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bidden o.w., Mnl. id., Onfra. bidden, Os. biddian + Ohd. bittan (Mhd. en Nhd. bitten), Ags. biddan (Eng. to bid), Ofri bidda, On. biđje (Zw. bedja, De. bede), Go. bidjan, van den zw. graad van denz. wortel als beiden (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

beie (ww.) bidden; Aajdnederlands biddon <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bidden van den Voorgerm. wt. bheidh, bhidh = door smeeken of geweld bewegen; in ’t Lat. fido = ik vertrouw, dus: zich op iemand verlaten. Hierbij sluit zich aan de bet. van ’t Oudgerm. werkw. bîdan (Os. bidan) ons beiden = verwachten; de biddende verwacht immers, waarom hij bidt. Het woord bidden in de bet. van „God om iets smeeken” was oudtijds ook beden: „Joseph ende Maria souden te Jherusalem beden”. Hiervan het frequ. bedelen, waarvoor men vroeger ook bidden gebruikte: „Die, om zijn brood te bidden, moet dolen.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bidden ‘gebed richten tot God; smeken, vragen’ -> Frans dialect pité ‘voor de kermis uitnodigen’; Negerhollands bed, bid, bet ‘gebed richten tot God; smeken, vragen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bidden* gebed richten tot God, smeken 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1640. Nood leert bidden.

Zie Winschooten, 167: ‘Nood leerd bidden: dat is, menssen, die in noodweer, en ongestuimig weer sijn: die sijn soo week om haar hart, dat sij als dan alder bequaamst schijnen, om de aanstaande nooden, en gevaarlijkheeden met klemmende reedenen en woorden van God almagtig af te bidden: eeveneens gelijk verliefde minnaars, dan alder welspreekenst schijnen, als het op het nijpen aan komt, en voor een blaauwe scheen bevreesd sijn’. Vgl. lat. adversae res admonent religionum (Livius); Volksb. Vier Heemskinderen (ed. Matthes), 77: Ter nood moet men wel bidden; De Brune, 330; Tuinman II, 222; W Leevend VII, 340; C. Wildsch. V, 283; Halma, 382 en Joos, 159. Ook in het hd. Not lehrt beten (Wander III, 1055); Afrik. nood leer bid; nd. nâd lärt bäen (Eckart, 380).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut