Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bibit - (zaailing)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bibit [zaailing] {1886} < maleis bibit [zaailing, kiem, kandidaat, aspirant].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bi’bit (de, -s) (ook:) zaailing van rijst, keenpijl* met de functie van zaailing, dus één exemplaar van plantgoed. Met strelende gebaren vertrouwen ze de jonge bibits toe aan de weke grond van de rijstvelden waar het water modderig is, de zon verzengend kan zijn (Ferrier 1968: 7). - Etym.: Uit het voormalige NOI. Als collectief, dus zonder mv., bet. b. in AN en SN: plantgoed.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

bibit1 [zaailing]. Bibit is Javaans en Maleis en is een zeer gebruikelijk woord bij de landbouw in Nederlands-Indië, om de jonge plantjes van rijst, suikerriet, tabak, enz., aan te duiden, die op kweekbeddingen worden geteeld om later op de akker te worden overgeplant. De Sturler, Handboek voor den landbouw, p. 1108: ‘Voor bibit neemt men jonge stekken van het boveneinde.’ Van Rees, Herinneringen, 3e druk, deel II, p. 17: ‘Met kinderlijke onnadenkendheid verkoopt de Javaan de oogst van de pas geplante rijst-bibit, de vruchten die nog aan zijne boomen moeten wassen.’

Bij de cochenielje-teelt worden ook de jonge insecten die op nieuwe nopalplanten worden overgebracht, bibit genoemd. De Sturler, p. 1014: ‘Gedurende de eerste vijf dagen dat de cochenille aan het baren is, is zij het best geschikt om voor bibit te dienen, teneinde op andere nopals overgebracht te worden.’ [V]

bibit2 [zaailing]. Uit Javaans en Maleis bibit: oorsprong, beginsel, kiem, zaad. In het Europees taalgebruik: zaad, zaailing, plantje (om over te planten). [P]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut