Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bezoldigen - (loon geven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bezoldigen ww. ‘loon geven’
Vnnl. besoldighen ‘als soldaat in dienst nemen’ [1642; WNT], besoldight (verl.deelw.) ‘betaald, ingehuurd (van soldaten)’ [1642; WNT zeestrand]; nnl. bezoldigt (3e pers. ev.) ‘betaalt’ [1784; WNT]. Daarnaast de nu niet meer voorkomende vorm bezolden ‘soldij betalen’ [1599; Kil.].
Vnnl. bezolden uit Duits besolden, een afleiding van het zn. Sold ‘soldij’, ouder solt ‘beloning, schuld, dienst’ [1150] < Oudfrans solt ‘munt’ < Laatlatijn solidus ‘goudstuk’ < Latijn (nummus) sol(i)dus ‘echte munt(en)’, bij het bn. solidus ‘gedegen, echt’, zie → solide, → soldij, → soldaat. De uitgang → -igen is later toegevoegd, naar analogie van andere werkwoorden met be- + -igen, zie → be-.
Het Middelnederlands kende de vorm souden ‘bezoldigen’ [ca. 1350; MNW], een afleiding van het zn. sout ‘soldij’ (zout [14e eeuw; MNW], sout ‘loon’ [1350-1400; MNW]) uit ouder solt (soelt [1380; MNW]), dat eveneens ontleend is aan Oudfrans solt ‘munt’ [eind 11e eeuw] (waaruit Nieuwfrans sou ‘cent, stuiver’). Dit vroege leenwoord nam deel aan de overgang van de verbinding old, olt naar oud, out, zie → oud. De vorm bezolden moet dus later ontleend zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bezoldigen [salaris geven] {1642} van besolden {1599} < hoogduits besolden, van frans solde [munt, soldij] (vgl. soldij).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bezoldigen ww., late formatie naast besolden (Kiliaen) in de 17de eeuw < nhd. besolden, waarvoor zie onder soldij.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bezoldigen ww., nog niet bij Kil. Gevormd van besolden, sedert Kil., dat uit hd. besolden ontleend is. Zie soldij.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bezoldigen. Vgl. mnd. besoldigen (zeldzaam) naast besolden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bezoldigen o.w., denom. van solde.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bezoldigen (Duits besolden)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bezoldigen van sold (soldij, z. d. w.); aanvankelijk: besolden (nog bij Hooft).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bezoldigen salaris geven 1642 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut