Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bezig - (bedrijvig, werkende aan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bezig bn. ‘bedrijvig, werkende aan’
Mnl. besech ‘nuttig’ [ca. 1240-60; CG I, 69], ‘werk hebbende, druk’ [1265-70; CG II, Lut.K].
Mnd. besich ‘ijverig bezig’; nfri. beuzich, bezich; oe. bisig, bysig (ne. busy ‘ijverig, bezig’); mogelijk < pgm. *bisiga-. Hiernaast ook werkwoorden: ofri. bisigia (nfri. beuzigje, biizgje); oe. bisgian ‘bezighouden’, bysigan ‘bezighouden, lastigvallen’.
Het woord komt alleen voor in het Engels, Nederlands, Fries en Nederduits en staat vermoedelijk in verband met de Middelnederlandse werkwoorden bisen, bissen ‘wild rondlopen (van vee)’ [ca. 1400; MNW], ook ‘op een dwaalspoor zijn, rondzwerven’ (FvWS) en ohd. bīsōn ‘wild rondlopen van vee’ (mhd., nhd. (gewest.) bisen); zie → bijster, → kissebissen.
bezigen ww. ‘gebruiken’. Mnl. besighen ‘gebruiken’ [1295; CG I, 2161]. Afleiding van bezig. Hiernaast bestond besen ‘gebruiken, nodig hebben’ [15e eeuw; MNW].

EWN ♦ bezigen ww. 'gebruiken' (1295)
ANTEDATERING: gebesegt 'uitgeoefend, gepleegd' [1265-70; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bezig* [werkzaam] {besich [werk hebbend, druk] 1240-1260} nl. dial. biezen, middelnederduits besich, oudengels bisig, bysig (engels busy), oudhoogduits bison, bisen [onrustig ronddraven] → beuzelen, bijster, kissebissen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bezig bnw., mnl. bēsich ‘druk, bezig, nuttig, nodig’ (vgl. vla. ‘wat gebruikt wordt, niet leeg staat’), mnd. bēsich ‘bezig, ijverig’, oe. bisig, bysig (ne. busy) ‘ijverig, bezig’.

Met v. Haeringen 19 uit te gaan van een grondvorm *bisiga, waarvoor te verwijzen is naar de onder bijster genoemde woorden, zoals ohd. bisōn, bisēn ‘onrustig ronddraven’. Vgl. ook kissebissen. Daarmee vervallen de vermoedens FW 61 over mogelijke samenhang met woorden als bazelen en beuzelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bezig bnw., mnl. bēsich “bezig, druk, vlijtig, veel werk gevend, nuttig, noodig”, nieuw-vla. nog = “gebruikt wordend, niet leeg”. = mnd. bēsich “ijverig, bezig”. Misschien een afl. van de wgerm. en ngerm. basis bas-: zie bij bazelen. Of zijn bezig en ags. bysig, bisig “ijverig, bezig” (eng. busy) identisch en gaan zij — klankwettig of deels door vervorming — op wgerm. *bisī̆ʒa- of *busī̆ʒa- terug? Het eerste zou i uit e kunnen hebben en ablauten met bazelen [Corr.-noot. Germ. ƀes-, ƀas- “zich druk bewegen, druk zijn” kan met lat. festîno “ik haast mij” (van een nomen *fes-tiôn-, *fes-tîn-) verwant wezen.], het tweede zou zich bij beuzelen aansluiten.— Bij bezig hoort ’t ww. bezigen, mnl. bēsighen “gebruiken, besteden, eten, uitoefenen, bedrijven, noodig hebben”. Vgl. ags. bysgian, bisgian “bezig houden, lastig vallen”. Misschien is mnl. (noordholl., ± 1500) bēsen, verbēsen “noodig hebben” een oudere vorm dan bezigen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bezig. Ags. bysig < bisig (oudws. bis(e)gu enz.) = bezig. Geen ospr. u-vocalisme. Mogelijk is germ. e, maar ook i; dan bij bijster? Geen etymologie is semantisch wsch. te maken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bezig. Mnd. bēsich komt alleen als neerlandisme voor.
Bezig mag voor identisch met ags. bisig, bysig worden gehouden, daar de eerstgenoemde ags. vorm de oudste is, dus een wgerm. grondvorm *bisī̆ʒa- zoowel voor het ndl. als het ags. woord past. De combinatie met beuzelen is dan uitgesloten en die met bazelen slechts mogelijk, als we germ. e aannemen. Het meest voor de hand ligt echter, dat het woord germ. i heeft en verwant is met het bij bijster vermelde ww. ohd. bī̆sôn, bī̆sen ‘bronstig ronddraven, onrustig ronddraven’, mnd. bēsen, bis(s)en ‘onrustig ronddraven (van koeien)’ ozw. besa ‘id.’ (tenzij dit laatste uit het Mnd. is ontleend). Uit semantisch oogpunt behoeft men tegen deze verbinding niet zo sceptisch te staan als v. Wijk Aanv. Zie nog bijster Suppl. en kissebissen Suppl.
Hiermee vervalt ook de door v. Wijk in een ‘corr.-noot’ geopperde mogelijkheid van verwantschap met lat. festîno ‘ik haast mij’, dat trouwens volgens de algemene opvatting -st- < -rst- heeft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bezig bijv., Mnl. besich, besen (= noodig hebben, gebruiken) + Ags. bisig (Eng. busy), Zw. basa, De. base (= ijverig moeite doen) + Lat. fes-tino = zich haasten. Sommigen leiden Fr. besogne en besoin van bezig af.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bezig ‘werkzaam’ -> Duits dialect besich, bezig, bäsig ‘werkzaam’; Negerhollands beesig ‘ijverig, werkzaam’; Papiaments bezig, bezeg ‘werkzaam’; Sranantongo beiseg ‘werkzaam (zijn)’; Surinaams-Javaans bésekh ‘werkzaam (zijn)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bezig* werkzaam 1240-1260 [CG I1, 69]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bezig: ergens mee — zijn, bepaalde activiteiten verrichten. Modieuze uitdrukking, meestal in de vorm van een vraag. Ook te gek bezig zijn. Deze uitdrukkingen kwamen in zwang sinds het begin van de jaren tachtig en werden voor het eerst gesignaleerd door Reinsma (1984) en Kuitenbrouwer (1987).

Volgens prof. Wim Velema (68) is de varkenspest een streep door de rekening van God, die moet worden opgevat als een oproep tot bezinning. Want waar zijn we eind twintigste eeuw nou helemaal mee bezig? (HP/De Tijd, 22/08/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal