Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bezichtigen - (nauwkeurig bezien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bezichtigen ww. ‘nauwkeurig bezien’
Vnnl. besichtighen ‘inspecteren, bezichtigen’ [1544; MNHWS] naast sichten ‘kijken’ [1500-50; MNW].
Gevormd met het voorvoegsel → be- van het zn.zicht, dat bij het werkwoord → zien hoort.
Mnd. besichtigen ‘zien, bezichtigen, onderzoeken’ naast besichten; mhd. besihtigen, besihten ‘bezichtigen’ [15e eeuw] (nhd. besichtigen); nfri. besichtigje.

EWN: bezichtigen ww. 'nauwkeurig bezien' (1544)
ANTEDATERING: besichtigen 'inspecteren' [1530; iWNT offreeren]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bezichtigen* [bezien] {besichtigen [onderzoeken] 1540} middelnederduits besichtigen [zien, aanschouwen, bezichtigen], van zicht, afgeleid van zien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bezichtigen ww., mnl. (laat-oostel.) besichtighen, mnd. besichtigen ‘zien, aanschouwen’ naast besichten ‘bezichtigen’, nhd. (sedert de 15de eeuw) besichten, besichtigen. — Afgeleid van zicht, dat bij zien behoort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bezichtigen ww., laat-mnl. (oostelijk) besichtighen. = mnd. besichtigen “zien, aanschouwen” naast besichten “bezichtigen”; ook hd. (sedert 15. eeuw) besichten, besichtigen. Bezichten komt oudnnl voor. Afl. van zicht II, verbaal nomen bij zien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bezichtigen ‘bezien’ -> Deens besigtige ‘bezien’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds besiktiga ‘inspecteren, nakijken, schouwen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bezichtigen* bezien 1540 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut