Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bezem - (werktuig om te vegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bezem zn. ‘werktuig om te vegen’
Mnl. besme ‘bezem’ [1240; Bern.], besem [1286; CG I, 1158], hi ... vint dat hus gekert met enen besseme ‘hij treft het huis aan, helemaal geveegd met een bezem’ [1315-35; MNW-P].
Os. besmo (mnd. besem(e), bessem(e)); ohd. bes(a)mo (mhd. besem(e), besme; nhd. Besen); ofri. bes(e)ma (nfri. biez(z)em); oe. bes(e)ma (ne. besom); < pgm. *besman- ‘tak, roede’ (mogelijk uit *bitsman- ‘bundel’), gevormd met het instrument-achtervoegsel pgm. *-sman-, dus ‘veger’.
De verdere herkomst is onzeker; het woord komt uitsluitend in het Germaans voor, de vorm hoort in elk geval niet bij pie. *bhidh- ‘pot, vat’ (IEW 153) (Latijn fiscus ‘gevlochten mand’, zie → fiscus). Ook gezien het betekenisveld moet er sprake zijn van een substraatwoord.
Bij de vorm bezem is er sprake van een oude svarabhaktivocaal tussen -s- en -m-, gevolgd door rekking van de -e- in open lettergreep: *besm- > besem > bēsem. De intervocalische -s- werd vervolgens een -z-. De nevenvorm bessem is het gevolg van een jongere svarabhaktivocaal waarbij geen rekking meer optrad: *besm- > bessem. In de huidige dialecten is bessem de zuidelijke en oostelijke vorm (incl. Oost- en West-Friesland), terwijl bezem de westelijke variant is (West-Fries bezem (Pannekeet 1984); Zaans bezem, beuzem (Boekenoogen 1897)).
Lit.: F. Holthausen (1922) ‘Etymologien’, in: Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 50, 142

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bezem* [werktuig om te vegen] {bessem 1286} nl. dial. bessem, oudsaksisch besmo, oudhoogduits besamo, oudfries, oudengels besma; buiten het germ. misschien latijn fiscus, waarvan de eerste betekenis ‘gevlochten mand’ is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bezem znw. m., mnl. bēsem, bessem m., os. besmo, ohd. besamo (nhd. besen), ofri. oe. besma (ne. besom). Men verklaart germ. *besman > *bit-sman en verbindt dan het 1ste lid met de idg. wt. *bheidh ‘binden, vlechten’, waarvoor men aanvoert lat. fiscus ‘gevlochten mand’ uit *bhidhsko (IEW noemt deze wortel echter niet!). Verdere verbinding met bast, dat zelf van onzekere herkomst is, is bezwaarlijk wegens het verschil van klinker. Zou men in dit geval niet mogen aannemen, dat hier een woord uit het pre-germaanse substraat overgenomen is (de cultuur der hunnebedden zal zeker reeds de bezem gekend hebben)?

Op een dergelijke herkomst zouden ook de talrijke dialectische vormen kunnen wijzen, zoals de oostelijke vorm bessem naast de westelijke bezem (westvla., Goeree, Bommelerwaard, Veluwe), beuzem (Zaans) en zelfs in het fri. biezem (bezwaarlijk onder invloed van het woord bies).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bezem znw., mnl. bēsem, bessem m. In de nnl. diall. is bessǝm de oostelijke vorm (België behalve Wvla., Maastricht, N. Brab., Elten-Bergh, Achterhoek, Twente, Drente, Groningen, Kampen; ook oostfri. en westf.), bēzǝm de westelijke (Wvla., Goeree, Bommelerwaard, Veluwe; Zaansch beuzǝm; met opvallende vocaal fri. biezem). Anders zijn de vormen bij gaffel en tafel verdeeld. De grondvorm is wgerm. *besman-. Misschien gaat bēzǝm op een vorm met vroeg ontwikkelde svarabhaktivocaal terug. Bezem = ohd. bësamo (nhd. besen), os. bësmo, ofri., ags. bësma m. (eng. besom) “bezem”. Wellicht bij den idg. wortel bhas- “binden”; zie bast. De oorspr. bet. zou dan zijn: “het saamgebondene, fascis”. Opvallend is dan evenwel het e-vocalisme.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bezem. Is de ‘opvallende’ vocaal van fri. biezǝm misschien uit invloed van bies, biis ‘bies’ te verklaren?
Tegen de combinatie met bast is het vocalisme een bezwaar. Dit bezwaar zou niet bestaan, wanneer men het woord met Holthausen KZ. 50, 142 combineert met lat. ferula ‘garde, roede, priemkruid’, waarbij ook lat. fes-tûca ‘halm, stafje’ kan horen, hoewel dit laatste gewoonlijk in ander verband wordt gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bezem m., Mnl. besem, bessem, Os. besmo + Ohd. besamo (Mhd. besem, Nhd. besen), Ags. besma (Eng. besom), Ofri. besma + Lat. ferula = genster, roede, indien dit uit *fesula en niet behoort bij ferire (z. beer 3). Bessem ontstond uit de vormen waar s en m onmiddellijk opeenvolgden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bessem (zn.) bezem; Vreugmiddelnederlands besme <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bessem hebben, uitdr.: kunnen ontvangen omdat de ouders afwezig zijn. Vgl. de oude uitdr. den bezem uitsteken, wat gebeurde als in huis feest gevierd werd, of als drukte gemaakt werd door kinderen of dienstboden bij afwezigheid van ouders of meesters. 1688 ’t Isser Kermis…Want den beessem steeckter uyt (A. Poirters).

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bessem, beussem, zn.: bezem. Brabantse en oostelijke variant van bezem. Mnl. besme, bessem, besem. Os. besmo, Ohd. bes(a)mo, Mnd. bessem(e), Oe. besma < Germ. *besman- ‘tak, roede’. Bessem door verscherping < sm.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bemes, zn. m.: bezem. Metathesis van bezem.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bessem (hebbe) kunnen ontvangen omdat de ouders er niet zijn (Oost-Noord-Brabant, Venray). Metonymisch gebruik van bessem (= bezem). Men stak dan nl. een bezem uit.
Schols/Linssen 479, eigen mat.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

besmer (FV), zn. m.: bezem. Afl. van bessem ‘bezem’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

be’zem (de, -s), handbezem, stoffer. - Etym.: In AN veroud. - Syn.: korte bezem*. Zie ook: blad* en bezem, bezemen*.
— : korte bezem, syn. van bezem*: z.a. - Etym.: I.h.b. de steel (het handvat) is korter dan die van de lange bezem*.
— : lange bezem, bezem (dus met lange steel). Maar altijd weet mijn hospita. Ze weet. Altijd. Dan slaat ze met haar lange bezem tegen de trap. Dan doe ik zachtjes die gas weer uit (Vianen 1973: 68). - Etym.: I.h.b. de steel is langer dan die van de korte bezem*.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Met bezemen keren, overhoop halen en vervolgens opruimen; grondig schoonmaken (van een huis of vertrek).

In deze uitdrukking is keren niet het ons bekende werkwoord met de betekenis 'omdraaien', maar een ander, nu verouderd werkwoord dat 'vegen' betekent. In de Liesveldtbijbel (1526) en de Deux-Aesbijbel (1562) staat nog keren zonder meer, wat destijds kennelijk geen misverstanden wekte; in de Statenvertaling vinden we met bezemen toegevoegd. Waarschijnlijk berust onze opvatting van de uitdrukking 'alles overhoop halen' op een volksetymologische interpretatie, gebaseerd op de tegenwoordig bekende keren 'omdraaien'. We vinden de verbinding in de evangeliën, waar zowel de bezems ter hand worden genomen om schoon te maken, als om een verloren geraakt muntje te voorschijn te krijgen. In moderne vertalingen, dus ook de NBV, wordt met (schoon)vegen vertaald.

Statenvertaling (1637), Lucas 15:8. Ofte wat vrouwe hebbende tien penningen, indien sy eenen penninck verliest, en ontsteeckt niet een keerse, ende keert het huys met besemen, ende soeckt neerstelick tot dat sy dien vindt?
[In een grappig bedoelde brief:] Hoe danook, wij zijn samen naar Ued.'s huis getrokken en hebben daar de zaak met bezemen gekeerd. Je kunt om zo te zeggen slapen in de boekenkast en eten uit de A.B. (huiselijke term voor W.C.). (C. Eggink, Leven met J.C. Bloem, 1978, p. 150)
Vervolgens hebben de mensen die hangar 8 met bezemen hebben gekeerd daarmee 'onverstandig' gehandeld, omdat zij daardoor uraniumstof opbezemden en het zo waarschijnlijk ook in hun longen kregen. (Reformatorisch Dagblad, 4-3-1999)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bezem. De verwensing slik een bezem! drukt diepe minachting uit en betekent ‘loop naar de pomp’. Alleen gevonden bij De Coster (1998). → pomp.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bezem ‘werktuig om te vegen’ -> Berbice-Nederlands besn, besum ‘werktuig om te vegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bezem* werktuig om te vegen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

225. Nieuwe bezems vegen schoon.

Dit wordt gebezigd in toepassing op hen, die nog korten tijd in dienst zijn en hun plicht nauwgezet waarnemen; nief meisens dienen goed (Antw. Idiot. 1648). Vgl. Werner, blz. 73: Pulverulenta novis bene verritur area scopis; bl. 74: Quam bene, quam munde scopa nova purgat abunde; Bebel no. 280: Dicunt nostri: Novam scopam bene purgare et verrere domum: sic novos servos in principio bene servire. Voor de 16de eeuw vgl. Prov. Comm. 549: Nieuwe bessemme veeghen wel; Campen, 133: Nye bessemen veghen schoone; Spieghel; 300; De Brune, 453:

 Nieuwe bezems vaeghen best,
 Beter als zy doen op 't lest.

Zie verder Harreb. I, 54 a; Taalgids V, 158; Büchmann, 94; Eckart, 44; Welters, 107: Nieuwe bezems keren goed; Joos, 160; Antw. Idiot. 217; Waasch Idiot. 106 b: Nieuwe bessems vagen goed, maar die eerst een bessem was, wordt daarna een schrobber, nieuwigheid behaagt, maar duurt niet lang; vgl. het fri: nije biezems feije skjin; fr. un balai neuf nettoie toujours bien; hd. neue Besen kehren gut; eng. new brooms sweep clean; nd. nigge messer snihet scharp; nigge Mïagde lopet harde (Jahrb. 38, 160). In het Fransch noemt men een nieuwe dienstbode un nouveau balai; deze zegt van zich zelf faire balai neuf.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal