Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bezadigd - (bedaard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bezadigd bn. ‘bedaard’
Vnnl. een besatighde beweging des ghemoedts ‘een bedaarde, weloverwogen stemming, emotie’ [1598; WNT], wijs en bezaadight ‘wijs en bedaard’ [1638; WNT].
Verl.deelw. van vnnl. besadigen ‘tot kalmte brengen’ [1641; WNT], besatigen (bezaticht 3e pers. ev. [1562; WNT]), mnl. besatigen ‘beslag leggen’ naast mnl. besaten ‘besturen, bezetten, beslag leggen’ (> vnnl. besaten ‘stillen, tot bedaren brengen’ [1510; MNHWS]). De vorm besatigen is een afleiding met → be- van het Middelnederlandse werkwoord satigen ‘kalmeren’ [1439; MNW], dat samenhangt met het zn. mnl. sate ‘zitting, woonplaats’ [1348; MNW], ‘ligplaats’ [1462; MNHWS], ‘ridderlijk verblijf; kasteel’ (ook Fries sate). Hierbij ook het werkwoord saten ‘plaatsen, bepalen, (een geschil) bijleggen, verzoenen, kalmeren’ [1461; MNW].
Mnd. besadigen ‘tot kalmte brengen’, besaten ‘tot rust, tot vrede brengen’ < pgm. *saton-, *satian-.
Het woord is verwant met → zitten. De -d-vorm is ontstaan onder invloed van de werkwoorden mnl. saden ‘verzadigen, (iemand) aangenaam stemmen’ [1450-1500; MNW] en vnnl. sadigen ‘verzadigen’ [1529; MNW], zie → verzadigen, → zat 1. De betekenisontwikkeling kan als volgt geweest zijn: van ‘geplaatst, gezet’ via ‘bezet’ en ‘beschermd, tot rust gebracht’ tot ‘gekalmeerd’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bezadigd* [bedaard] {1598} verl. deelw. van middelnederlands besatigen = besaten [bezetten, beschermen, regelen, tot bedaren brengen], van be- + saten [plaatsen, vaststellen, regelen, kalmeren], van sate [het zitten, plaats, bevredigende toestand], verwant met zitten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bezadigd bnw., sedert de 17de eeuw (bij Coornhert besatigd) verl. dlw. van besadigen, besatigen ‘tot kalmte brengen’, hem besatigen ‘tot kalmte komen’. Afgeleid van satighen (naast saten) ‘tot kalmte brengen’. Mnl. sâten, sâtighen betekent ‘plaatsen; vaststellen; door schikking iets beëindigen; tot rust brengen, kalmeren’, afgeleid van sâte ‘zitting, woonplaats, rust, bevredigende toestand’. — Het woord behoort tot de groep van zitten.

De oude vorm is dus met t; jonger is dus bezadigen en wel onder invloed van mnl. sāden, sādighen ‘verzadigen’, waarvoor zie: zat en verzadigen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bezadigd bnw., sedert de 17. eeuw. Bij Coornhert komt ook besatighd voor. Deelw. van oudnnl. besadigen, besatigen “tot kalmte brengen”, hem, sich besadigen, -tigen “kalm worden”. Besatigen is een samenst. van mnl. sâtighen (naast sâten) “kalmeeren”, refl. “tot rust komen”. De d-vorm is onder invloed van mnl. oudnnl. sāden, sādighen “verzadigen” en samenstellingen daarvan ontstaan (zie zat, verzadigen), hoewel de ā van deze wooren en die van mnl. sâten, sâtighen oorspr. een verschillende qualiteit hadden. Vgl. ook mnd. besadigen “tot kalmte brengen”: besâtigen “beslag leggen op”: besâten in beide bett. [In de bet. “beslag leggen op” ook mnl. besâten en besâtighen; het laatste, alleen oostmnl., in geen andere bet.] Mnl. sâten, waarvan sâtighen, heeft een ruime beteekenissfeer, evenals ʼt znw. sâte v. (o.a. “rust, vrede”), waarvan ʼt is afgeleid. Dit znw., w.- en ngerm. *sâtô- v., komt met verschillende bett. in ʼt W.- en Ngerm. voor; evenzoo de ww. *sâtôn, *sátian. De bet. “rust, vrede” resp. “tot rust brengen” vinden wij behalve in ʼt Mnl. alleen bij mnd. sâte v. en sâten. *Sâtô- hoort bij zitten, evenals laag II bij liggen, spraak bij spreken enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bezadigd bijv., van Mnl. satich = bedaard, waarnevens sate = rust, kalmte (vergel.: een gezeten man, Fr. esprit rassis), van denz. stam als ’t meerv. imp. van zitten; het werd bezadigd onder den invloed van verzadigd = voldaan.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bezadigd (ook bezatigd) van ’t werkw. bezadigen en dit van ’t Middelned. saten = zetten, neerzetten, tot rust brengen. Het woord w.d.z.: rustig, kalm. Het is verwant met zitten.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bezadigd* bedaard 1598 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal