Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bewind - (bestuur, regering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bewind zn. ‘bestuur, regering’
Mnl. bewint ‘bestuur’ [1350-1420; MNW], tbewent ‘het rechtsgebied’ [1432; MNW-R], ‘macht’ [1432; MNW-R].
Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord hem bewinden ‘zich bemoeien met, ten uitvoer brengen, zich de macht toe-eigenen, zich verstouten’ [ca. 1445; MNW], dat een afleiding is met → be- van het werkwoord → winden ‘wikkelen’.
Mnd. bewint ‘bewind, regering’ van bewinden ‘omwikkelen, inrichten’; mhd. bewinden ‘omwikkelen’; nfri. bewâld.
Naast (hem) bewinden bestond het werkwoord onderwinden (waarnaast ook ofri. underwinda (nfri. jin ûnderwine)) met nagenoeg dezelfde betekenis: ‘op zich nemen, zich bemoeien met, iets administreren als eigenaar of beheerder, zijn gezag over iets doen gelden’. De grondbetekenis van bewinden en onderwinden zal ‘zich in iets (ver)wikkelen, iets op zich nemen’ zijn.

EWN: bewind zn. 'bestuur, regering' (1350-1420)
ANTEDATERING: bewint der werlt 'regiem van de wereld' [1394; CRM 14, E045p39401]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bewind* [bestuur] {bewint [administratie, bewind, macht, gezag, betrekking] 1351-1400} van middelnederlands bewinden [inwikkelen, zich onderwinden, zich bemoeien met, ten uitvoer brengen, zich toe-eigenen], van winden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bewind znw. o. mnl. bewint ‘bewind, gezag, rechtsgebied, betrekking’, behoort bij (hem) bewinden ‘ondernemen, zich bemoeien met, ten uitvoer brengen’ vgl. mnd. bewint ‘bestuur, gebied’ bij sik bewinden ‘zich wenden naar, zich bezighouden met’. — Afl. van winden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bewind znw. o., mnl. bewint (d) o. “bewind, gezag, rechtsgebied, betrekking”. Verbaalnomen bij mnl. (hem) bewinden “ondernemen, zich bemoeien met, zich moeite geven, ten uitvoer brengen”, een samenst. van winden. Evenzoo mnd. bewint o. “bestuur, gebied”, sik bewinden “zich wenden naar, zich bezighouden met”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bewind o., Mnl. bewint, bewent, bewant, stam van Mnl. hem bewinden = zich tot iets wenden, iets aangaan, wagen, er aanspraak op maken, het besturen, met i = e, van wenden.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bewind* bestuur 1351-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut