Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bewijs - (schriftelijke verklaring, certificaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bewijzen ww. ‘met behulp van bewijsstukken aantonen’
Mnl. bewisen (zwak en sterk): bewisen ‘toewijzen, aanwijzen’ [1240; Bern.], bewisen ‘aantonen, bewijzen’ bijv. in: Doet hi das niet; den claghere blijft dat hem es bewijst ‘doet hij dat niet, dan blijft aan de klager wat hem bewezen is’ [1254; CG I, 54].
Afleiding met → be- van het zwakke Middelnederlandse werkwoord wisen ‘(aan)wijzen, toewijzen, weten’, een afleiding van → wijs 2 of een afleiding van de wortel van het werkwoord → weten. Het werkwoord was oorspr. zwak, het wordt pas in de loop van de Middelnederlandse periode uitsluitend sterk, wat ook gebeurd is bij Duits beweisen. Misschien is dit gebeurd onder invloed van het sterke werkwoord → wijzen, dat echter oorspr. ook zwak was.
bewijs zn. ‘feit of redenering waardoor de waarheid van iets wordt aangetoond’. Mnl. ‘aan-, toewijzing, lering’ in Dit ghelof ende dit bewiis was ghedaen, vor den her pietere den vos ‘deze gelofte en deze toewijzing werden verricht voor heer Pieter de Vos’ [1296; CG I, 2344], Rekeninghe ... ende besceit ... Ende bewijs van alle den ontfanghe ‘rekeningen en bescheid en bewijs(stukken) van alle ontvangsten’ [1460-80; MNW-R]. Een abstractum afgeleid van het werkwoord. Het woord bewising ‘bewijs’ was in het Middelnederlands veel frequenter.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bewijs (vert. van Latijn demonstratio of Duits Beweis)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

bewijsje Omstreeks 1955 in Amsterdam gehoord voor een ‘klein borreltje, halfje’. Simon Carmiggelt gebruikte deze borrelnaam in zijn boek Vliegen vangen:

‘Zal ik u nog eens vol doen?’, vroeg mijn vriend.
‘Nou, een halfje dan’, zei de man. ‘Een bewijsje. Zo noemen ze dat in de kleine kroegjes. Een bewijsje.’
Hij lachte zó innig, dat zijn snor helemaal van vorm veranderde.

De borrelnaam gaat waarschijnlijk terug op een inmiddels verouderde betekenis van bewijsje, namelijk ‘zeer kleine hoeveelheid’.
Vergelijk halfje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bewijs ‘schriftelijke verklaring, certificaat’ -> Indonesisch bowés nomor ‘kentekenbewijs’; Jakartaans-Maleis surat bowès ‘nummerbewijs’; Javaans buwis ‘schriftelijke verklaring’; Makassaars bawês, bawêsé ‘lidmaatschapsbewijs; rijbewijs’; Negerhollands bewies ‘schriftelijke verklaring, certificaat’; Papiaments † bewijs ‘schriftelijke verklaring’; Sranantongo bewèis ‘blijk; schriftelijke verklaring’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut