Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bewegen - (zich verroeren, in beweging brengen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bewegen ww. ‘zich verroeren, in beweging brengen’
Mnl. beweghen (sterk en zwak ww.): bewegen ‘brengen tot, naar’ [1340-60; MNW-P], beweghen ‘van plaats doen veranderen’ [1399; MNW-P], ‘overwegen’ [1399; MNW-P], ‘in beweging brengen’ [1440-50; MNW-R].
Zeer oude afleiding met → be- van het werkwoord → wegen.
Mnd. bewegen, bewagen (sterk en zwak ww.) ‘bewegen, overwegen, aansporen, onderzoeken, verontrusten’; ohd. biwegan (sterk ww.) ‘in beweging brengen, bewegen’ (mhd. bewegen ‘bewegen, verontrusten, gunstig stemmen’; nhd. ‘verplaatsen, iemand ontroeren, iemand aanzetten, teweegbrengen’); nfri. bewege; < pgm. *bi-wegan- ‘bewegen’.
beweging zn. ‘het (zich) verplaatsen; drukte, maatschappelijke groepering’. Mnl. beweginge ‘het bewegen (met het lichaam)’ [1400-50; MNHWS], ‘gemoedsbeweging, ontroering’ [ca. 1425; MNHWS], ‘onrust’ [ca. 1430; MNHWS]; nnl. ‘opschudding, drukte’ [1793-96; WNT], ‘verandering, omwenteling, maatschappelijke beweging’ [1871; WNT]. Afleiding met → -ing.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bewegen* [in beweging brengen, zijn] {1301-1400 in de betekenis ‘van plaats of toestand doen veranderen, overwegen’} middelnederduits bewegen [bewegen, overwegen], oudhoogduits biwegan [van plaats doen veranderen, onderzoeken door te wegen], gotisch gawigan, gawagjan [bewegen, schudden], van wegen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bewegen ww., mnl. bewēghen (st. en zw. ww.) ‘van plaats doen veranderen, in beweging brengen, overwegen’, mnd. bewēgen ‘bewegen, overwegen’, ohd. biwegan ‘van plaats doen veranderen, onderzoeken door te wegen’, mhd. bewegen ‘in beweging brengen, aansporen’. Evenals got. gawigan, gawagjan ‘bewegen, schudden’, een afleiding van wegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bewegen ww., mnl. bewēghen st. en zw. “van plaats of toestand doen veranderen, overwegen, in beweging brengen, treffen, er toe brengen”. De intrans. bet. vermeldt ook Kil. nog niet; zich bewegen zal in deze bet. wel ouder zijn dan bewegen. = ohd. biwëgan st. “uit de rust-positie brengen, onderzoeken door te wegen”, waarnaast mhd. bewegen zw. “ergens voor uit den rust-toestand brengen, aansporen” (nhd. bewegen); mnd. bewegen “bewegen, overwegen”. Vgl. voor de ongeveer gelijke bet. van het st. en zw. ww. got. gawigan, gawagjan trans. “bewegen, schudden”, Zie verder wegen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bewegen o.w., Mnl. id. + Ohd. biwegen (Nhd. bewegen) = in beweging komen: z. wegen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bewegen van ’t Mnl. weghen, dat eveneens bewegen bet. Zie Weg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bewegen ‘in beweging brengen of zijn’ -> Deens bevæge ‘in beweging brengen of zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bevege ‘in beweging brengen of zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds beveka ‘aanzetten, overhalen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands beweeg ‘in beweging brengen of zijn’; Sranantongo buweigi ‘in beweging zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bewegen* in beweging brengen of zijn 1301-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2395. Geen vin verroeren (of bewegen),

d.i. geen lid verroeren, zich stil houden, geen duim verroeren (zuidndl.); eig. gezegd van een visch; later ook van andere dieren en van menschen. Sedert de 16de eeuw had vin de algemeene beteekenis van lid, zooals blijkt uit Anna Bijns, Refr. 421:

 Reyn geestelijke blijdschap schept nu van binnen,
 Herte, leden, vinnen, wilt trueren afsnijen.

Nw. Refr. 35: Al mijn vinnen, aderen en pesen die duncken mij crimpen; bl. 48: Ic wil gaen springen en rueren mijn vinnen; bij P.C. Hooft van den wind gezegd: al zyn' vinnen van zich steken, zich duchtig roeren (Ged. II, 223 vs. 152); Brieven, 199: Vêer nocht vin des oorloogs van zich steekende; Coster, 18 vs. 252: Hy klaecht immers dat hy niet ien vin noch ien lidt an sijn Lijf kan reppen; Van Moerk. 347; bij Antonides II, 80: Al steekt een storm de vinnen op; De Brune. Bank. II, 331: Die echter met de armen in 't kruys blijven gapen, zonder vin of steert te roeren; Haagsche Reize, 138: Zy wierd niet 't allerminste gewaar, en verroerde geen vin; Tuinman I, 288: Hy durft niet een vin verroeren; Van Effen, Spect. X, 237; Taalk. Magazijn III, 115; Harreb. II, 380 b; Dievenp. 31; 66; 110; Falkl. VI, 126: Een dochter die te lui was om 'n vin te verroeren; Nederland, Juni 1914, p. 136; Oudemans, VIII, 630; fri.: hy kin fin noch fear (for)reppe; oostfri.: hê kan gên fin of fôt rören (Ten Doornk. Koolm. I, 485); De Bo, 1326 a: noch vim noch vlerke roeren of noch teil (tein) noch vlerke roeren (bl. 1478 a); Joos, 46: het dierken roerde vim noch vaam; vgl. ook Ons Volksleven XI, 180: alles aan de vinnen hangen, te veel geld aan kleederen besteden; Afrik.: roer jou vinne; nig 'n vin verroer nie; vgl. eng. fin, arm, hand.In dieventaal is bekend: een vin zetten, een vensterruit stuk maken. Vgl. Dievenp. 95: 'n Vin zetten is moeilijker ook brutaler. Ze steken 'n stevig mes of 'n scherp voorwerp tusschen den splint, waarin het glas vastzit en draaien hun mes om; dan barst de sterkste winkelruit met 'n mooie ronde bocht; Köster Henke, 72: een vin in een ruit zetten, een barst er in maken. Onder een ‘vin’ moet men een soort breekijzer verstaan. Vgl. hd. Finne, schmale, keilförmig zugespitzte Hammerbahn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut