Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bevrijden - (verlossen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bevrijden ww. ‘verlossen’
Mnl. enen in een ambocht bevriën ‘iemand de vrije uitoefening van zijn beroep toekennen’ [1300-10; CG I, 2889], beurien ‘beschermen’ [1300-50; MNW-R], ‘verlossen, bevrijden’ [1370; MNW-P]; bevrijden [ca. 1605; WNT]. Eerder al zonder voorvoegsel: mnl. vriën, vrijen ‘bevrijden’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘vrijstellen, beschermen, omheinen’ (waarnaast ook vriën, vrijen ‘een aanzoek doen, vrijen’).
Afleiding met → be- van het Middelnederlandse synonieme werkwoord vrien, een afleiding van → vrij, dat wrsch. al vroeg door elkaar liep met het werkwoord → vrijen. De secundaire intervocalische -d- is door hypercorrectie ontstaan maar is ongetwijfeld ook beïnvloed door de aanwezigheid ervan in het preteritum.
Mnd. bevrien, bevrigen ‘vrijheden verlenen, vrijstellen (van belasting), trouwen’; mhd. bevrien ‘bevrijden’ (nhd. befreien); nfri. befrije. Daarnaast synonieme vormen zonder be-: os. frīehan ‘liefhebben’ (mnd. vrien, vrigen ‘bevrijden’ waarnaast vrien ‘een aanzoek doen, trouwen’); mhd. vrien, vrigen ‘bevrijden’ (nhd. freien ‘trouwen’); ofri. frīa, frīĭa ‘bevrijden’; oe. frēogan ‘bevrijden, liefhebben, eren’ (ne. free ‘bevrijden’); got. frijōn ‘liefhebben’. Wrsch. lopen al sinds een vrij vroeg stadium twee werkwoorden door elkaar heen: pgm. *frījan- ‘vrijmaken’ en *frījōn- ‘liefhebben’, zie → vrijen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bevrijden* [vrijmaken] {bevrien [beschermen, vrijhouden, vrijstellen] 1351-1400} van vrij; de d is later hypercorrect tussengevoegd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bevrijden ww. met secundaire d uit mnl. bevrîen, mnd. mhd. vrîen (nhd. freien), ofri. friāia, oe. frēogan (ne. free), on. frīa ‘vrij maken’, afl. van vrij. — Zie ook: vrijen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vrij bnw., mnl. vrî “vrij, edel, heerlijk, blij”. = ohd. frî (nhd. frei), os. ofri. frî, ags. frî, frêo (eng. free), got. freis (accus. frijana) “vrij”, germ. *frija-. Oergerm. is de samenst. met hals: ohd. frîhals m. “vrije man”, ofri. frîhals (ook in twee woorden) m. “vrijheid”, ags. frêols m. “id.”, als bnw. “vrij”, on. frjâls “vrij”, got. freihals m. “vrijheid; oorspr. = “vrije hals” resp. “een vrijen hals hebbend”: NB. bij de oude Germanen was een ring om den hals een teeken van slavernij. Germ. *frija- “vrij” < idg. *prijo-, waaruit ook kymr. rhydd “id.”, oi. priyá- “lief, dierbaar”. Deze laatste bet. was de oudste: hieruit ontstond “vriend, verwant”, dan “volksgenoot, vrij man”; vgl. oi. árya- “Ariër”: aryá- “vriendelijk, dierbaar, trouw”. Verwant zijn nog ier. rîar “wil, wensch” en de bij Vrijdag en vrijen beproken woorden, met þ-, ð-formans (idg. t) o.a. nog vrede en on. frîðr “mooi”(= oi. prîtá- “blij, vriendelijk, geliefd”),ags. frîd-hengest m. “mooi, flink paard”, got. freidjan “sparen”, on. frîða “mooi maken, versieren”, ohd. vrîten “begunstigen” (hierbij ohd. frîthof, nhd. friedhof m., mnl., nog dial. vrijthof m. o., onfr. frîthof o., os. frîdhof m “ingesloten ruimte”, vandaar “voorportaal, kerkhof” e.dgl.). Nld. bevrijden, reeds mnl. bevrîden behoort daar niet bij: met ʼt oog op ʼt oudere mnl. (be)vrîen moet ʼt evenals mhd. mnd. vrîen (nhd. freien), ofri. friâia, ags. frêogan (eng. to free), on. frîa “vrij maken” als een denominatie bij vrij beschouwd worden; de d is als bij belijden te verklaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bevrijden o.w., Mnl. bevrien, met epenthet. d van vrij.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bevrijden ‘vrijmaken’ -> Deens befri ‘vrijmaken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors befri ‘vrijmaken (van)’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds befria ‘vrijmaken; verlossen uit onderdrukte of ingesloten toestand’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bevrijden* vrijmaken 1351-1400 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut