Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bevorderen - (de werking van iets begunstigen; (in rang) verhogen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bevorderen ww. ‘de werking van iets begunstigen; (in rang) verhogen’
Vnnl. bevorderen, bevoorderen ‘bevoordelen’ [1536; MNW]; (heeft) bevordert (verl.deelw.) ‘heeft ervoor geijverd’ [1642; WNT aandrijven], bevordert (3e pers. ev.) ‘is gunstig voor, bij’ [1692; WNT zevenboom]; nnl. bevorderd (verl.deelw.) ‘in rang of positie verhoogd’ [1778; WNT zitter].
Afleiding met → be- van het werkwoord → vorderen 2 ‘vooruitkomen’.
Mnd. bevörderen ‘bevorderen, aanmoedigen, helpen’; nhd. befördern ‘wegbrengen; in rang verhogen’; nfri. befoarderje.
bevordering zn. ‘het vooruithelpen; promotie’. Vnnl. bevoorderinge [1599; WNT]. Afleiding met → -ing. ♦ bevorderlijk bn. ‘gunstig’. Nnl. bevorderlijk ‘id.’ [1865; WNT]. Afleiding met → -lijk.

EWN: ♦ bevordering zn. 'het vooruithelpen; promotie' (1599)
ANTEDATERING: de bevordering der eere Gods [1567; iWNT verklaring]
EWN: ♦ bevorderlijk bn. 'gunstig' (1865)
ANTEDATERING: vnnl. bevorderlick 'ondersteunend, voorthelpend' [1637; Statenvertaling, Ezr 1:4]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bevorderen* [de ontwikkeling begunstigen] {bevo(o)rderen [bevoordelen] 1500-1536} van be- + vorderen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bevorderen ww., mnl. bevoorderen, bevorderen ‘bevoordelen’. — Zie: vorderen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bevorderen ww., mnl. bevoorderen “bevoordeelen”. Samenst. van vorderen I.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vorderen, comparatief van voor, dus: meer naar voren, vooruit gaan, vandaar: bevorderen, als overgankelijk; b.v. in Vondels tijd „voorderaars” = bevorderaars; „het welvaren te helpen voorderen”; vgl. loopen (intrans.) en beloopen (transit.). Ook had vorderen oudtijds de bet. van: vóór laten komen, vóór zich roepen, ontbieden, waaruit later de bet. eischen, vergen ontstond; men eischt, dat iemand komt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bevorderen ‘de ontwikkeling begunstigen’ -> Deens befordre ‘de ontwikkeling begunstigen; transporteren’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors befordre ‘vervoeren; de ontwikkeling begunstigen’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Zweeds befordra ‘transporteren’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bevorderen* de ontwikkeling begunstigen 1500-1536 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut