Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bevoegd - (door wet of gezag gerechtigd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bevoegd bn. ‘door wet of gezag gerechtigd’
Vnnl. bevoegd ‘officieel gerechtigd’ [1698; WNT].
Misschien ontleend aan Vroegnieuwhoogduits befugt ‘bevoegd’ [15e eeuw], dat ofwel een afleiding is van het zn. Fug ‘recht, bevoegdheid’ (nu alleen nog in de uitdrukking mit Fug und Recht ‘met recht en reden’ en in Unfug ‘onbetamelijkheid, flauwekul’), ofwel het verl.deelw. is van Middelhoogduits sich bevugen ‘bevoegd zijn’ [14e eeuw]. Het Middelnederlands kende al de werkwoorden bevoeghen ‘leiden, in een stemming brengen, richten, toevoegen’ [ca. 1350; MNW] en voegen ‘voegen, richten, regelen, iemand aanwijzen voor de behandeling van een bepaalde zaak’, zie → voegen. Deze laatste betekenis komt overeen met ‘bevoegd zijn’ zodat een zelfstandige Nederlandse ontwikkeling tot bevoegd, eventueel onder invloed van Duits befugt, zeker niet uitgesloten is.

EWN: bevoegd bn. 'door wet of gezag gerechtigd' (1698)
ANTEDATERING: daer sy ... wel bevoegt waren [1629; Edict, C4v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bevoegd [gerechtigd] {1698} < hoogduits befugt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bevoegd bnw., eerst na Kiliaen opgekomen < nhd. befugt ‘bevoegd’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bevoegd bnw., nog niet bij Kil. Het ww. bevoeghen bestond in ʼt Mnl. = “leiden, in een stemming brengen, aanbrengen”. Maar bevoegd in zijn tegenwoordige bet. is jong: nhd. befugt “bevoegd” (naast fug m. “bevoegdheid”) heeft blijkbaar dit ndl. bnw. in ʼt leven geroepen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bevoegd bijv., eigenl. v.d. van Mnl. bevoegen + Hgd. befugen = passend maken, toelaten, denom. van voege.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bevoegd (Duits befugt)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bevoegd ‘gerechtigd’ -> Negerhollands buevoogt ‘rechter’; Sranantongo bufuktu ‘gerechtigd; bevoegde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bevoegd gerechtigd 1698 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut