Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beven - (trillen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beven ww. ‘trillen’
Onl. als zn. biuonga ‘beving’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. beven ‘(gaan) trillen, (beginnen te) sidderen’ [1240; Bern.], derde beuede ‘de aarde beefde’ [1285; CG II, Rijmb.], beuen ‘sidderen van vrees’ [1290; CG II, En.Cod.], beven ‘doen beven, bang maken’ [ca. 1450; MNW].
Os. biƀōn (mnd. beven); ohd. bibēn (nhd. beben); ofri. bevia, ouder bivia (nfri. beevje, beve); oe. bīfian, biofian; on. bifa (nno. biva; nzw. bäva; nde. bœve); < pgm. *bibai-.
De Proto-Germaanse wortel is, evenals Sanskrit bibhēti ‘hij is bang’, ontstaan uit pie. *bhi-bheiH-ti, een reduplicatievorm van de wortel pie. *bheiH- ‘bang zijn’ (IEW 161). De reduplicatie van de bijbehorende ablautsvorm *bhoiH- werd in het Proto-Germaans *bibai-. Doordat men -ai- als achtervoegsel interpreteerde, werd *bib- de nieuwe stam. Andere cognaten zijn: Sanskrit bháyate ‘hij vreest’; Avestisch byente ‘zij maken bang’; Litouws bijótis ‘vrezen’ (< *bhiH-), báimė ‘vrees’; Oudkerkslavisch boja (< bhoiH-), bojati se ‘vrezen’ (Tsjechisch bát se ‘id.’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beven* [trillen] {oudnederlands biuon 901-1000, middelnederlands beven} oudsaksisch biƀon, oudhoogduits biben, oudfries bevia, oudengels beofian, oudnoors bifabibberen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beven ww., mnl. bēven, os. biƀōn, ohd. bibēn, ofri. bevia, oe. beofian, on. bifa; vgl. ofrank. bivonga ‘het beven’. — Eig. een reduplicatieve formatie evenals oi. bibhēti ‘vrezen’ naast bhī- ‘vrees’, bháyate ‘vreest’, osl. boją ‘vrezen’, lit. baidaũ, baudýti ‘opjagen’, baijùs ‘vreeswekkend’, lett. bīstuōs, bītiēs ‘vrezen’, opr. biātwei ‘vrezen’ (IEW 161-2) — Zie: bibberen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beven ww., mnl. bēven. = (onfr. bivonga v. “tremor”), ohd. bibên (nhd. beben), os. biƀon, ofri. bëvia, ags. beofian, on. bifa “beven”. Een reduplicatieformatie van den idg. wortel *bhei- “vreezen”, waarvan ook obg. boją, bojati sę “vreezen”, lit. bijótis “id.”, báimė “vrees”, oi. bháyate “hij vreest”. Evenwel moet de oude hypothese, dat het germ. praesens, ohd. bibêm enz. = oi. bibhémi zou zijn, opgegeven worden, aangezien bibhémi een jong praesens is naast ouder bháye; wsch. is ʼt een perfectum met praesens-bet., dat later ook praesens-flexie heeft aangenomen; vgl. ook av. bayente “zij maken bang”: biwivå̂ “bevreesd”. Zie vooral bij II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beven ono.w., Mnl. id., Os. biƀôn + Ohd. bibên (Mhd. beben, Nhd. beben), Ags. beofian, Ofri. bevia, On. bifa + Skr. bibhemi (= ik vrees) uit *bhiƀhemi, praesens met reduplicatie van wrt. bhei, wat in ’t Germ. *biƀai- moest worden; men zag biƀ aan als den stam en ai als een der suff. die zw. werkw. vormen. Vergel. Osl. bojati se, Lit. bijoti-s = vreezen, zonder redupl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bewe ww.
Tril, sidder.
Uit Ndl. beven (al Mnl.).
Mnl. beven beteken dieselfde as Oudhoogduits biben, Oudsaksies bibon, Oudfries bevia, Angelsaksies beofian, Oudnoors bifa. Dit is die reduplikasieformasie van die Indo-Germaanse wortel *bhei- 'vrees'. Vgl. ook Oudindies bhyate 'hy vrees'.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Beven van den Idg. wt. bhi = vreezen, bang zijn. Een frequ. is bibberen. (In ’t Germ. was beven: bibain.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beven ‘trillen’ -> Negerhollands beev, beeven ‘trillen’; Berbice-Nederlands befu ‘trillen’; Sranantongo beifi ‘rillen, trillen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beven* trillen 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut