Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bevallig - (gracieus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bevallen 2 ww. ‘behagen’
Mnl. bevallen ‘behagen’ [1265-70; CG II, Lut.K], meestal in combinatie met wale ‘wel, goed’; vnnl. bevallen ‘behagen, aanstaan’ [1612; WNT].
Afleiding met → be- van het werkwoord → vallen.
Mnd. bevallen ‘bevallen, behagen’, vaak in combinaties als wol bevallen ‘goed bevallen’; ohd. gifallan ‘bevallen, behagen’ [ca. 800] (mhd. gevallen met wol of wel; nhd. gefallen); ofri. bifalla ‘treffen, overkomen’ (nfri. befalle).
De betekenis ‘behagen, aangenaam zijn, bevallen’ zal, net als in het Oudhoogduits, ontstaan zijn uit de uitdrukking bij het dobbelen het bevallet mi wale (mhd. es gevellet mir wol) ‘het lot valt gunstig voor mij; er valt mij iets positiefs ten deel’ (Pfeifer), een betekenis die goed aansluit bij de andere betekenis van bevallen in het Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands: bevallen ‘toevallig gebeuren; toevallig overkomen’ [1284; CG I, 764]; vnnl. bevallen ‘(toevallig) gebeuren’ [1666; WNT]. Zie ook → bevallen 1.
bevallig bn. ‘gracieus’. Vnnl. in het zn. beuallicheyt ‘gratie, charme’ [1568; WNT uitzeggen], bevallich ‘gracieus’ [1612; WNT vriendhoud]. Gevormd uit bevallen met het achtervoegsel → -ig. Eerder bestond al een afleiding met het achtervoegsel → -lijk, bevallijk [tot de 18e eeuw; WNT], mnl. bevellike [eind 14e eeuw; MNW], bevallijc. Ook mnd. gevellec, gevellic; ohd. gifellīg (nhd. gefällig); nfri. befallich naast oanfallich.

EWN: ♦ bevallig bn. 'gracieus' (1568)
ANTEDATERING: mnl. Dasse Gode bevellike was dor hare kuscheit 'dat ze God welgevallig was door haar kuisheid' [1290-1300; iMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bevallig* [gracieus] {1726, vgl. bevallijc [welgevallig, bevallig] 1376-1400} van bevallen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bevallig bnw., mnl. bevallijc ‘welgevallig, bevallig’, dus te vergelijken met mnl. behagel ‘welgevallig, mooi, lief’. — Zie ook: aanvallig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bevallig bnw., met suffixvervanging uit mnl. bevallijc “welgevallig, bevallig”. Voor de bet. vgl. mnl. oudnnl. behāghel “welgevallig, mooi, lief, flink”, van behagen afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bevallig bijv., van bevallen, dus = wat wel bevalt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bevallig ‘gracieus, lief, sierlijk’ -> Fries befallich ‘gracieus, lief, sierlijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bevallig* gracieus 1704 [Hannot&Hoogstraten]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut