Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beurtschipper - (schipper die een geregelde vaart onderhoudt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beurt zn. ‘geregelde volgorde’
Mnl. boerte ‘beurt’ [1445-55; MNW boort], Noord-Nederlandse vorm naast de Zuid-Nederlandse met ghe-: ghebuerte ‘beurt’ [ca. 1440; MNW geboorte], by gheboerten ‘om beurten’ [1470; MNW geboorte]; vnnl. burgeren die hoor buert is die poort te bewaeren ‘burgers wier beurt het is de poort te bewaken’ [1523-44; MNW poorthuus].
Gebeurt is een afleiding met het achtervoegsel → -te van het werkwoord → gebeuren, waar het ook in betekenis bij aansluit; beurt is afgeleid van het kortere → beuren in de betekenis ‘gebeuren’.
Mnd. gebörte, gebörede ‘verplichting, betamelijkheid, het verschuldigde’; ohd. giburida ‘gebeurtenis, lot’; nfri. bar, beurt ‘beurt’; oe. gebyrd ‘lot’. De grondbetekenis zal ‘lot’ geweest zijn, en daarvan afgeleid ‘loop der omstandigheden’ en ‘zoals het gaat’ > ‘zoals het moet gaan of behoort te gaan’ > ‘betamelijkheid’.
Uit een beurt geven ‘schoonmaken’ en iemand een beurt geven ‘iemand onder handen nemen’ is de betekenis ‘copuleren’ [1972; Heestermans 1980] ontstaan.
beurtrol zn. (BN) ‘toerbeurt’. Nnl. beurtrol ‘id.’ [voor 1960; Paardekooper]. Leenvertaling van Frans á tour de rôle ‘om beurten, bij toerbeurt’, zie → rol. ♦ beurtschipper zn. ‘schipper die, bij beurten varend, een geregelde dienst onderhoudt’. Vnnl. beurtschipper ‘id.’ [1681; WNT]. Gevormd uit beurt en → schipper. Duits Börtmann ‘beurtschipper’ en Börtschiff ‘beurtschip’ zijn vrij jonge vormen, die wrsch. aan het Nederlands ontleend zijn.
Lit.: F. Kluge (1911) Seemannssprache, Halle a.d. Saale, 131-132; P. Paardekooper (1984) ABN-gids, Antwerpen/Weesp

EWN: ♦ beurtrol zn. (BN) 'toerbeurt' (voor 1960)
ANTEDATERING: het afloopen van deze eerste beurtrol ('rooster') [1823; Nederlandsche staatscourant (KB) 4/1]
EWN: ♦ beurtschipper zn. 'schipper die, bij beurten varend, een geregelde dienst onderhoudt' (1681)
ANTEDATERING: Nader Ordonnantie Voor de Beurt-schippers [1652; iWNT buiten IV]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beurtschipper* [schipper die een geregelde vaart onderhoudt] {1744} eig. schipper die om de beurt met anderen op een bepaalde dag naar een bepaalde plaats vaart.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beurtman, beurtschipper ‘schipper die een geregelde vaart onderhoudt’ -> Duits Börtmann ‘schipper die een geregelde vaart onderhoudt’; Deens † børtskipper ‘schipper die een geregelde vaart onderhoudt’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut