Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beuren - (opheffen; innen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beuren ww. ‘opheffen; innen’
Mnl. boren [1280; CG I, 1262], boeren, beuren, bueren (overgankelijk ww.) ‘beuren, optillen, heffen van renten enz.’. Daarnaast boren, bueren, buren (onpersoonlijk ww.) ‘gebeuren, ten deel vallen, toekomen, passen, betamen’ [ca. 1480; MNW]. Varianten van dit onpersoonlijke werkwoord zijn geboren, gebeuren, met dezelfde betekenis, zie → gebeuren.
Os. gi-burian ‘geschieden’ (mnd. bören ‘heffen, dragen, innen, voortbrengen, doen ontstaan, opgroeien’, bören, gebören ‘ten deel vallen, toekomen, passen’, sik gebören ‘gebeuren’); ohd. burien, burren ‘opheffen’, als wederkerend werkwoord ‘zich verheffen, gebeuren’ (mhd. bürn ‘opheffen’) naast ohd. gi-burien, gi-burren; ofri. bera (nfri. barre); oe. byrian ‘gebeuren, toebehoren’; on. byrja ‘beginnen’; < pgm. *burjan- ‘optillen’. Ook ohd. in bore ‘in de hoogte’ (waaruit het bw. nhd. empor ‘omhoog’).
Pgm. *bur- in *burjan- is de nultrap van de wortel pie. *bher- ‘dragen, brengen’, zie → baren.
Het Fries kent eenzelfde betekenisovereenkomst ‘heffen’ en ‘gebeuren’: heevje, heve ‘heffen, optillen’ naast it sil heevje of heve ‘het gaat gebeuren’. Beuren ‘optillen’ enerzijds en beuren, gebeuren ‘gebeuren’ anderzijds gaan dus terug op hetzelfde woord.

EWN: beuren ww. 'opheffen; innen' (1280)
ANTEDATERING: onl. buren 'omhoogkomen, ontstaan' als in: sich buret 'richt zich op' [ca. 1100; ONW]
Later: beuren 'innen' [1286-1343; MNW gaderen] (EWN: z.j.)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beuren* [tillen] {bo(e)ren, bueren [optillen] 1280} verwant met baren1 [oorspr. dragen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beuren ww., mnl. bōren, bueren, buren ‘opheffen, optillen, innen’, mnd. bōren id., ohd. burian ‘opheffen’, on. byrja ‘beginnen’; te vergelijken zijn ohd. bor ‘hoger gedeelte’, vgl. in bor, in bore (nhd. empor) ‘omhoog’ en mnl. enbore, enbor (met ontkenning) ‘niet zeer’. Daarvan een samenstelling gebeuren (zie aldaar) en verbeuren. — Het woord behoort tot de idg. wt. *bher ‘dragen’; zie: baren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beuren ww., mnl. bōren, bȫren “opbeuren, heffen, innen”. = ohd. burian “opheffen”, mnl. bōren “opheffen, innen”, on. byrja “beginnen”. Germ. *ƀurjanan sluit zich formeel in de eerste plaats aan bij ohd. bor v. “hooger gedeelte”, vanwaar ohd. in bor(e) “in de hoogte” (nhd. empor), waarmee men mnl. enbōre, enbor identificeert, eig. “hoogelijk”, altijd negatief (soms met weglating van de ontkenningspartikel) gebruikt = “niet zeer”. Deze woorden komen van de idg. basis bher- “dragen”. Zie baren. Een andere bet.-ontwikkeling vertoont mnl. ghebōren, gebȫren, ook — vooral noordndl. — zonder ghe-, “gebeuren, ten deel vallen, toekomen, betamen” (nndl. gebeuren) = ohd. giburian “id.” (nhd. gebühren), os. giburian “gebeuren, plaats hebben”, ofri. bera “betamen, toekomen”, ags. (ge)byrian “gebeuren, toekomen, betamen”, on. byrja “toekomen, betamen”. Vgl. ook got. gabaúrjaba “gaarne” en voor de bet. vgl. vooral gr. sum-phérein o.a. “nuttig zijn, gebeuren, passen bij”. Een andere samenst. is nog mnl. verbōren, verbȫren “zondigen, boeten, verbeuren” (nnl. verbeuren), mnd. vorbōren “zondigen, overtreden, verbeuren”, ofri. ûrbera “verbeuren”. Vgl. nog beurt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beuren. In ndl. gebieden waar beuren uit gebeuren is ontstaan, is het afvallen van het suffix te verklaren als bij gelijken Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beuren 2 o.w. (ontvangen), hetz. als beuren 1 = belastingen heffen.

beuren 3 ono.w. (gebeuren), is nog hetz. w. als beuren 1 en beuren 2 = zich gedragen, zich voordoen, aan iemand ten deel vallen.

beuren 1 o.w. (tillen), Mnl. boren, Os. burian + Ohd. burian (Mhd. bürn), Ags. byrjan, On. byrja, afgel. van denz. stam als ’t v.d. van beren (z. baren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bäöre (ww.) beuren, innen; Vreugmiddelnederlands boren <1280>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Beuren (optillen) is verwant met beren = dragen; zie Baar.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beuren* tillen 1280 [CG I2, 1262]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut