Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beun - (losse plankenvloer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beun 1 zn. (gewest.) ‘verhoging’
Mnl. boene ‘zolder’ [1451, Gelders; MNHWS], boen ‘zolder, zoldering, verhoogde vloer’; vnnl. boene, buene ‘balkwerk, verdieping’ [1599; Kil.], beun ‘zoldering’ [18e eeuw; WNT]; Gronings klunderbeun ‘galerij in een kerk’. Niet in de Zuid-Nederlandse dialecten.
Mnd. bone, böne, bune ‘toneel, stellage, houten verhoging, bodem, zolder, verdieping’ (zie ook → beunhaas); mhd. büne, bün ‘estrade, zoldering’ (waaruit de samenstelling nhd. Schaubühne ‘podium’, in de 18e eeuw verkort tot Bühne ‘podium, de planken’, waaraan het Nederlands in de 20e eeuw bühne heeft ontleend [1914; WNT Aanv.]. Alle ontwikkeld uit pgm. *bunī- ‘planken vloer, houten verhoging’. Misschien behoort hier ook → beun 2 ‘viskaar’ bij.
Vanwege oe. byðne ‘scheepsbodem’ en bytne ‘kiel, scheepsbodem’ is het wrsch. dat deze stam met een oeroude uitval van de dentaal afkomstig is uit pie. *bhu(dh)niā-. Zeer wrsch. hangt deze vorm samen met pie. *bhudh-m(e)n ‘bodem’ (IEW 174), zie dan verder bij → bodem.

EWN: beun 1 zn. (gewest.) 'verhoging' (1451)
ANTEDATERING: onl. Bunni 'verhoging' in de plaatsnaam Buun (lees Bunn?) 'Bunne (plaats in Drenthe)' [1141?, kopie 1401-10; ONW]
{* De datering van de derde attestatie in het EWN moet zijn: 19e eeuw.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beun2* [losse plankenvloer] {1899, vgl. boene [zolder] 1451} in oorsprong hetzelfde woord als beun1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beun znw. v. ‘losse planken boven de vloer’, ook ‘viskaar’ (met de bijvorm bun), bij Kiliaen: boene, buene ‘tabulata’ en bonne, bunne ‘coassatio, tabulatum et fori navium’, vgl. mnd. bone, böne m. v. ‘planken stelling, zoldering, zolder, verdieping’, būne v. ‘staketsel aan een oever’ (vgl. in duitse zeemanstaal bünn ‘beun in een schip’; ook oostfri. bünne), mnd. būne, mhd. büne, bün (nhd. bühne) ‘estrade, zoldering’. Men zal wel van ‘dunne plank, sliet’ moeten uitgaan, vgl. het woord buna ‘droge stengel’ in de plantnaam zw. gråböna, de. dial. graabone (AEW 63 onder búa 2). Daarnaast staan nnoorw. bunke, nde. bynke ‘bijvoet’ en nzw. dial. bunke ‘rietsoort’. Verder zijn te vergelijken on. buna als bijnaam voorkomend = nijsl. buna ‘bot van een os’, nnoorw. buna ‘been, pijp’, ozw. bunulægger ‘voorbout van een slachtdier’, nde. bonneben ‘scheenbeen van een slachtdier’. Deze woorden zijn moeilijk te verklaren, maar zullen wel met de groep van bonk samenhangen.

FW 57 noemt nog als zwakke mogelijkheden verbinding met de wt. *bhen ‘slaan’, waarvoor zie: baan en nog zwakker verbinding met het woord ben in de zin van vlechtwerk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beun II (losse planken vloer boven den eigenlijken vloer), dial. ook “losse brug op pooten, zoldering”. Vgl. ook Kil. “boene, buene. Ger. Sax. Sicamb. Tabulata”, mnd. bōne (ȫ) m. v. “estrade van planken, zoldering, zolder, verdieping”, bûne v. “staketsel aan den oever”; in de Duitsche zeemanstaal beteekent bünn (oostfri. bünne) “beun in een schip”, buhne v. o.a. “id.” en = mnd. bûne; mhd. büne, bün v. “estrade, zoldering” (hieruit nhd. bühne). De combinatie met bodem is onaannemelijk. Gesteld dat mnd. bûne, Kil. boene, nnd. nhd. buhne secundair vocalisme had, dan zouden de andere vormen, wgerm. *bunĭ-, *bunjô- > *bunnjô- van een idg. wortel bhen-, bhen- kunnen worden afgeleid, waarbij wellicht ook gall. benna “genus vehiculi” hoort, dat echter ook bij binden gebracht wordt. (nn ˂ ndhn). Als wij van een grondbet. “vlechten” uitgaan, zouden wij nog ben II en lat. fenestra “venster, gat in den muur” kunnen vergelijken, dat dan oorspronkelijk een “vlechtbouw”-term moet geweest zijn (zie echter bij baan); ook zouden wij (zeer onwsch.) de germ. basis ƀan- “slaan” (zie baan) kunnen vergelijken en voor wgerm. bunĭ-, bun(n)jô- van de bet. “getimmerte” uitgaan. Een wortel bhen- “vlechten” zou met bhendh- (zie binden) te combineeren zijn. Zie bij bies.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beun I, beun II, bun. Het germ. woord ben II blijve liever buiten geding als inheems vergelijkingsmateriaal, daar het waarsch. aan het Gall. is ontleend (zie ben II Suppl.). Dit sluit oerverwantschap van gall. benna ‘genus vehiculi’ met beun, bun niet uit.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beun 2 v. (zolder, eigenlijk vloer van aaneengeslagen planken), + Mhd. büne (Nhd. bühne), Mndd. bone: komt alleen voor in ’t Germ. van ’t vasteland; misschien abl. bij baan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut