Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beun - (viskaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beun 2 zn. ‘viskaar’
Vnnl. beun ‘viskaar’ [1580; WNT water]; nnl. bon [ca. 1710; WNT], beun [1724; WNT], bunne [1755; WNT]. Ook (oorspr. Zaans) bun.
Wrsch. hetzelfde woord als → beun 1 ‘verhoging, verhoogde vloer’, omdat een bun ‘viskaar’ een onlosmakelijk onderdeel van een scheepsbodem is.
Nedersaksisch bünne ‘bun’, Oostfries bünne ‘bun’; Duits (zeemanstaal) Bünn ‘beun in een schip’; Nieuwfries beun, bun. Een alternatieve hypothese is te vinden bij Toll., die aansluiting zoekt bij vormen met een dentaal, zoals nno. bûna ‘vat’ (< pgm. *budna) en oe. byden ‘ton’; on. boðn ‘medevat’. De laatste groep sluit aan bij os. budin (mnd. böden(e), böde, büdde); ohd. butin ‘kuip, tobbe, vat’ (mhd. büten, bütte; nhd. Bütte) en ook bij mnl. botte ‘draagkorf’ [1420; MNW], but(te), bud; vnnl. botte, butte ‘vat, ton’ [1599; Kil.], bij middeleeuws Latijn butta ‘draagkorf, vat, kuip’. Misschien hangt dit samen met Zaans, Nieuwfries bodde dat ‘viskaar’ betekent, maar ook ‘losse vishouwer die in de sloot wordt gelegd’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beun1 [viskaar] {1580} evenals bun een nevenvorm van ben.

bun [opening voor anker, viskaar] {1702 als ‘viskaar’; de betekenis ‘opening voor anker’ 1859} nevenvorm van respectievelijk ben of beun1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beun znw. v. ‘losse planken boven de vloer’, ook ‘viskaar’ (met de bijvorm bun), bij Kiliaen: boene, buene ‘tabulata’ en bonne, bunne ‘coassatio, tabulatum et fori navium’, vgl. mnd. bone, böne m. v. ‘planken stelling, zoldering, zolder, verdieping’, būne v. ‘staketsel aan een oever’ (vgl. in duitse zeemanstaal bünn ‘beun in een schip’; ook oostfri. bünne), mnd. būne, mhd. büne, bün (nhd. bühne) ‘estrade, zoldering’. Men zal wel van ‘dunne plank, sliet’ moeten uitgaan, vgl. het woord buna ‘droge stengel’ in de plantnaam zw. gråböna, de. dial. graabone (AEW 63 onder búa 2). Daarnaast staan nnoorw. bunke, nde. bynke ‘bijvoet’ en nzw. dial. bunke ‘rietsoort’. Verder zijn te vergelijken on. buna als bijnaam voorkomend = nijsl. buna ‘bot van een os’, nnoorw. buna ‘been, pijp’, ozw. bunulægger ‘voorbout van een slachtdier’, nde. bonneben ‘scheenbeen van een slachtdier’. Deze woorden zijn moeilijk te verklaren, maar zullen wel met de groep van bonk samenhangen.

FW 57 noemt nog als zwakke mogelijkheden verbinding met de wt. *bhen ‘slaan’, waarvoor zie: baan en nog zwakker verbinding met het woord ben in de zin van vlechtwerk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beun I, bun (vischkaar), eerst nnl.; ook de vorm bon komt voor. Identisch met Kil. bonne, bunne (“Ger. Sax. Sicamb.”) “Coassatio, tabulatum. et fori navium” en met beun II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beun 1 v. (bun), bijvorm van bun.

bun v., z. ben 1 en beun 1.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beun viskaar 1580 [WNT water]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal