Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beugel - (ijzeren ring)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beugel zn. ‘ijzeren ring’
Mnl. bogel [1345; MNW], boggel, buegel.
Afleiding bij het werkwoord → buigen met het Proto-Germaanse achtervoegsel *-ila dat vaak wordt gebruikt om gereedschappen aan te duiden, zie → beitel. De oorspr. betekenis is ‘iets wat gebogen is’. *Bugila staat in ablautverhouding (nultrap) tot pgm. *beugan-. Door umlaut en rekking in open lettergreep ontwikkelde *bugil(a) zich tot beugel.
Os. arm-bugil (mnd. bogel); mhd. bügele (nhd. Bügel); nfri. bûgel; on. bygill (nzw. bygel); < pgm. *bugila.
Het woord kwam voor in zegswijzen, ontleend aan een spel dat veel overeenkomst vertoonde met ons kolven en dat bogelen of bogelslaen genoemd werd: Ghy moet duer den buegele, u macht es tegen ons te clene ‘u moet (de bal) door de beugel (jagen); u zult het van ons verliezen’ [ca. 1540; MNW]. Vandaar ontstond de uitdrukking niet door de beugel kunnen ‘er niet mee door kunnen’ [1731-35; WNT]. Een andere verklaring wordt door het WNT gegeven. Daarbij wordt uitgegaan van bepalingen over de grootte van honden. In sommige steden mochten alleen honden worden gehouden die door een stijgbeugel konden worden gehaald.
Lit.: Reinsma 1998

EWN: beugel zn. 'ijzeren ring'; de vorm beugel(e) (z.j.)
ANTEDATERING: 2 bueghele '2 ringen' [1343-46; iMNW riden]
{Bij de attestaties in het EWN moet boggel geschrapt worden.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beugel* [ijzeren ring] {bogel 1339-1345} middelnederduits bogel, hoogduits Bügel, oudnoors bygill, staat tot buigen als sleutel tot sluiten. De uitdrukking dat kan niet door de beugel gaat terug op het verbod in sommige steden om honden te houden die zo groot waren dat ze niet door een ring of beugel konden worden gehaald.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

beugel

Behalve in samenstellingen als stijgbeugel, en beugeltas en als technische term komt het woord beugel eigenlijk nog slechts voor in de uitdrukking: dat kan niet door de beugel voor: dat is ontoelaatbaar, dat kan niet geduld worden. Dit gebruik van het woord beugel vindt men reeds in oude stadskeuren, waarin bepalingen waren opgenomen over de grootte van honden die de burgerij binnen de stadsmuren mocht houden. Zo’n bepaling luidde bijvoorbeeld: Soo en moet er niemand honden houden, uytghenomen cleyne honden die door den beugel moghen (d.w.z. kunnen). De beugel was een ijzeren ring, vandaar dat een andere keur zegt: honden zijn verboden uytgheseyt die door den rinck magh. Dit gebruik heeft aanleiding gegeven tot de zegswijze.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beugel znw. m. mnl. bōghel, bueghel m. ‘ijzeren ring, beugel’, mnd. bȫgel m. nhd. bügel, on. bygill m. ‘beugel’ uit een germ. *bugila afgeleid van buigen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beugel znw., dial. ook bōgel, mnl. bōgel, bôghel m. “beugel, ring”. = nhd. bügel m. (mhd. zelden bügele v. “stijgbeugel”), mnd. bōgel m., on. bygill m. “beugel”, germ. *ƀuʒila-. Beugel : buigen = sleutel : sluiten. Hiernaast in het Ngerm. *bauʒila- in ozw. böghil m., de. bøile, noorw. dial. bøygjel “id.”, tenzij deze woorden uit het Ndd. ontleend zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beugel. Mnd. bōgel m. stelt bȫgel voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beugel m., Mnl. boghel + Nhd. bügel: met eu = ö en suff. -el van denz. stam als ’t meerv. imp. van buigen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beugel ‘ijzeren ring’ ->? Engels † boul, bool ‘gebogen vorm, in het bijzonder om iets vast te pakken’ (uit Nederlands of Nederduits); Schots bool, boull ‘gebogen vorm, in het bijzonder om iets vast te pakken; iemand met o-benen’; Russisch † búgel' ‘ijzeren ring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beugel* ijzeren ring 1339-1345 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

219. Dat kan niet door den beugel,

d.w.z. dat kan er niet door, dat kan niet geduld worden, dat is niet naar behooren. Onder den beugel moet men verstaan den ring, waardoor in sommige steden de honden gehaald werden; konden ze er niet door, dan mocht men zulk een hond niet houden. Zie Taal en Letteren I, 62; Ndl. Wdb. II, 2267; XIII, 496; Westfri. Stadr. II, 211: Soo en moeter niemant honden houden, uutghenomen cleyne honden die door een voetyser van een zadel (dus een beugel) moghen; II, 265: Niet groter (honden) te houden, dan die door den boghel moghen; R.v. Hulst, 68, 48: Niemant en sal honde houden sy en warden so cleyne, dat sy moghen crupen dore eenen steghereep (stijgbeugel).... oft het en waren jachhonde ofte bandehonde (bandrekel, die aan den ketting ligt); Rechtsbr. v. Amsterdam, 34: Nyemant en moet honde houden binnen den vryhede, zy en moghen duer den rinc van der kercduere an den toirne; ook bl. 220; 231; enz. De uitdr. komt in de 17de eeuw zeer dikwijls voor. Vgl. Winschooten, 23: Dat wil niet wel door de beugel, dat is, wij konnen het niet krijgen naa onse sin; zie ook bl. 399; Brederoo, Moortje vs. 662: Dat mach niet door de bueghel; Malle-Waegen, 116; Tuinman I, 267; Van Effen, Spect. VIII, 7; IX, 150; X, 78, enz. In het fri.: It kin net troch de bûgel (of de mêsken, de mazen); Land v. Waas: Dat kan door de spil niet, dat is onmogelijk.

2443. Den voet in den (stijg)beugel hebben (of krijgen),

d.i. ‘den eersten stap tot iets gedaan hebben en op weg zijn om tot zijn doel te komen’; Ndl. Wdb. II, 2264. Vgl. het fr. avoir le pied à l'étrier, être prêt à partir, commencer à faire son chemin dans une carrière (Hatzfeld, 983 b); Hooft, Ned. Hist. 124: Dit dan haar aldus gelukt zynde, en de voet in den beughel gekreeghen, voer zy voort, tot lichten van krysvolk, en zette zich in den zaadel; Pers, 279: De Hertoginne die den voet in den stegelreepEig. de riem, waaraan de stijgbeugel hangt, doch ook voor den stijgbeugel zelf gebruikt, zooals thans nog in het Westvlaamsch; zie De Bo, 1094. en den sadel onder 't lijf begost te krijgen, sprack nu ronder; Tuinman I, 250: Hy heeft de voet in den beugel gekregen, dit zegt men van ymand die op den trap is om tot eene hooger bevoordering op te klimmen; 't is ontleent van een stegelreep, waardoor men te paarde raakt, en zich in den zadel zet; Harreb. I, 51 a; oostfri.: he hed de gôt in den bögel; hd. einen Fusz im Amte habenGrimm IV1, 976.; eng. to have one's foot in the stirrup (or the ladder).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut